3HV 33. Stunde 22

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

5 Minuten Lernzeit
1. Dein Handy kommt in die Tasche

2. Setzt dich auf deinen Platz

3. Pak deinen Arbeitsbuch
                                                                      
                                                       In Ruhe lernen/lesen

Slide 2 - Tekstslide

Rätsel
 Wie bringt ein Fährmann ( ponsbestuurder ) eine Ziege, einen Wolf und einen Kohlkopf (krop sla) über den Fluss, wenn er aber nur eins von den drei auf die Fähre laden darf? Dabei muss er darauf achten, dass die Ziege nicht den Kohlkopf und  Wolf nicht die Ziege frisst! 

Slide 3 - Tekstslide

Peters Mutter hat 4 Kinder. Das erste Kind wurde auf den Namen „Januar“ getauft. Das zweite Kind hat den Namen „März“ bekommen. Das dritte Kind hört auf den Namen „Mai“
Wie heiß das vierte Kind?

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Link

timer
5:00
K3: L4

Slide 6 - Tekstslide

Lernziel
Du kannst einen Unfall auf Deutsch beschreiben
Du kannst ein Gespräch führen bei einem Arztbesuch

Slide 7 - Tekstslide

Programm


  • Toetsweek: Leestoets + Woordenschat: :k1- K3 ( D-NL)


  • Aufgaben   besprechen/ machen
  • zu zweit ein Gespräch vorbereiten
  • Arztgespräch vorbereiten


  • HA

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Link

Slide 10 - Link

Grammatik
regelmatig werkwoord vervoegen: ( fe)e st t en t en
haben - sein ( tegenwoordige- verleden tijd)
stam d/t
volt. deelwoord
modale werkwoorden
lidwoorden ( geslachtsregel)
w- vragen

Slide 11 - Tekstslide

Grammatik
bezittelijke vnw - persoonlijke vnw
naamvallen
naamvallen + voorzetsel
naamvallen + werkwoorden
persoonlijke vnw ( naamvallen)
tijden / tijdsbepaling

Slide 12 - Tekstslide

Mache einen Satz mit......

Slide 13 - Tekstslide

Aufgaben  besprechen/ machen
Besprechen:
          S. 118/ Nr. 7,10,11,12,13,14
Machen:
         S, 126/ Nr. 5,6, 7,9 (zelfstandig0
        S. 131/ Nr. 10, 12 ( zu zweit)
   -> Präsentieren ( Gespräche aufnehmen)

timer
1:00

Slide 14 - Tekstslide

Beim Arzt
Bereitet zu zweit das Gespäch vor. Lernt den Text auswendig
 ( =uit je hoofd) und präsentiert es vor der Klasse.

Slide 15 - Tekstslide

Hausaufgaben
7./ 9. Dezember

  • Lernen Wörter K3: L1

Slide 16 - Tekstslide

5 Minuten Lernzeit
1. Dein Handy kommt in die Tasche

2. Setzt dich auf deinen Platz

3. Pak deinen Arbeitsbuch
                                                                      
                                                       In Ruhe lernen/lesen

Slide 17 - Tekstslide

timer
5:00
K3: L1 + L2 + L3

Slide 18 - Tekstslide

Welcher Fall?!
1. Ich suche ( een ) ________Geschenk  ( voor mijn _____________Eltern( mv.)
2. Wohnst du ( met zijn) _____________ Freundin (v.)
3.  Er sucht ( onze) ______________Nachbar(m.) im Garten.
4.Wir  laufen  ______________________ Fluss ( m.) entlang.
5. (Na de ) _________________Vorstellung(v.) gehen wir nach Hause.

Slide 19 - Tekstslide

Lernziel
Du kennst die Fälle und kannst sie anwenden

Slide 20 - Tekstslide

Programm


  • Toetsweek: Leestoets + Woordenschat: :K1- K3 ( D-NL)
  • Grammatik  üben
  • Lernen




  • HA

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

Aufgaben besprechen/ machen

  • S. 117 / Nr. 10- 12 besprechen
  • S. 122/ Nr. 1,4,5
  • S. 126/ Nr. 7-10 machen


timer
1:00

Slide 23 - Tekstslide

Grammatik
regelmatig werkwoord vervoegen: ( fe)e st t en t en
haben - sein ( tegenwoordige- verleden tijd)
stam d/t
volt. deelwoord
modale werkwoorden
lidwoorden ( geslachtsregel)
w- vragen

Slide 24 - Tekstslide

Grammatik
bezittelijke vnw - persoonlijke vnw
naamvallen
naamvallen + voorzetsel
naamvallen + werkwoorden
persoonlijke vnw ( naamvallen)
tijden / tijdsbepaling

Slide 25 - Tekstslide

Grammatik
S. 126durchlesen

Slide 26 - Tekstslide

Leerdoelen bereikt?
kennen/kunnen



  1. Je weet wat wederkerende werkwoorden zijn.
  2. Je weet hoe je het wederkerend voornaamwoord vervoegt.
  3. Je kunt aangeven wanneer je je 3e naamval bij wederkerende werkwoorden gebruikt. 

Slide 27 - Tekstslide

Een wederkerend werkwoord
heeft een wederkerend voornaamwoord,
zoals ‚zich‘ in het Nederlands.

Voorbeelden:
zich vergissen > ik vergis me
zich verheugen > hij verheugt zich

Slide 28 - Tekstslide

Wederkerende werkwoorden
'zich' wordt in het Duits:  sich
en past zich aan de persoon aan.

sich freuen > er freut sich

Slide 29 - Tekstslide

Wederkerende werkwoorden
Om de wederkerende werkwoorden te kunnen gebruiken,
moet je
 een werkwoord kunnen vervoegen.

Hoe ging dat ook alweer?

Slide 30 - Tekstslide

Een werkwoord in de o.t.t. vervoegen
Een werkwoord vervoegen:
                                  stam + (fe) E – ST – T – EN – T – EN


stam
= hele werkwoord (= infinitief) min -en/-n
kommen: komm-
arbeiten: arbeit-
regnen: regn-


Slide 31 - Tekstslide

Wederkerend werkwoord 'sich beeilen" (zich haasten)
ich              beeile  mich                      ik haast me
du               beeilst dich                       jij haast je
er/sie/es  beeilt   sich                       hij/zij/het haast zich    
wir               beeilen uns                      wij haasten ons
ihr                beeilt   euch                     jullie haasten je
sie/Sie       beeilen sich                      zij haasten zich/ u haast zich

Slide 32 - Tekstslide

Reflexive Verben
Ich wasche .......
Ich wasche ............. die Hände.
Du wäschst ............
Du wäschst ............ die Hände.
Er wäscht ............
Er wäscht ............. die Hände.

Slide 33 - Tekstslide

Vervoeg 'sich erinnern' (zich herinneren) in de 'du'-vorm
timer
0:20

Slide 34 - Open vraag

Vervoeg 'sich leisten' (= zich veroorloven)
in de 'er'-vorm
timer
0:20

Slide 35 - Open vraag

Vervoeg: 'sich waschen' (= zich wassen)
in de 'ich'-vorm
timer
0:20

Slide 36 - Open vraag

1. Ich ziehe mir meine Jacke an
2. Ich ziehe mich an
Was ist der Unterschied zwischen den beiden Sätzen?

Slide 37 - Open vraag

Maak zelf een zin met een Dativ en één met een Akkusativ:
Gebruik het werkwoord: sich waschen

Slide 38 - Open vraag

2. Du ernährst ______immer so gesund!
A
mich
B
mir
C
dich
D
dir

Slide 39 - Quizvraag

1. Ich freue.... schon ........ die Prüfungswoche
A
mir über
B
mich auf
C
dir auf
D
dich über

Slide 40 - Quizvraag

Maak zelf een zin met een Dativ en één met een Akkusativ:
Gebruik het werkwoord: sich kämmen

Slide 41 - Open vraag

Slide 42 - Tekstslide

1.    putzen: ___________ du _________ die Zähne?
2.   entschuldigen: Ich ______  _____ für meine Verspätung.
3.    (an)ziehen: Ich ________  _______ die Jacke an.
4.    fürchten: ____________ du ______ vor der Dunkelheit?
5.    fühlen: Er __________ _____ nicht gut.
6.    freuen: Wir __________ _______ auf die Party.
7.    rasieren: Mick ___________ ________ den Bart.
8.    erkälten: Hoffentlich __________ ihr ______ nicht.

Slide 43 - Tekstslide

Wiederholung Deutsch
- Stell dich auf Deutsch vor
- Konjugiere haben , sein, werden ( Präsens/ Präteritum)
- Konjugiere : wohnen, heißen, arbeiten, Modalverben
- Erzähle etwas über deine Familie/ Hobby/ Schule/ Ferien
- Fälle ( naamvallen): voorzetsel + ww


Slide 44 - Tekstslide

Hausaufgaben
7./ 9. Dezember

  • Lernen Wörter K3: L1 + L2

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Link