H4 Elektriciteit herhalen

     H4 Elektriciteit herhalen
We gaan herhalen en oefenen wat we hebben geleerd in hoofdstuk 4
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

     H4 Elektriciteit herhalen
We gaan herhalen en oefenen wat we hebben geleerd in hoofdstuk 4

Slide 1 - Tekstslide

Welke onderdelen heb je nodig om een lampje te laten branden?

Slide 2 - Open vraag

Wat voor soort schakeling zie je hier?
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling

Slide 3 - Quizvraag

Wat betekent dit symbool?
A
Batterij
B
Lamp
C
Schakelaar
D
Snoer

Slide 4 - Quizvraag

Noem 3 geleiders

Slide 5 - Open vraag

1250 mA = ...... A

Slide 6 - Open vraag

Is het een serieschakeling of een parallelschakeling?
A
Serie
B
parallel

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het juiste symbool voor een spanningsmeter?
A
B
C
D

Slide 8 - Quizvraag

Hoeveel mA is 0,358 A?

Slide 9 - Open vraag

Wat is het juiste symbool voor een stroommeter?
A
B
C
D

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent dit symbool?
A
Batterij
B
Lamp
C
Schakelaar
D
Snoer

Slide 11 - Quizvraag

Rechts zie je het typeplaatje van een haakse slijper. Wat is het vermogen?
A
220 V
B
2,2A
C
450 W
D
8500 /min

Slide 12 - Quizvraag

Maakt het uit waar je de stroomsterkte meet?
A
Ja, voor het lampje is die het hoogst
B
Ja, na het lampje is die het hoogst
C
ja, maar je weet niet waar die het hoogste is
D
nee, de stroomsterkte is overal even groot

Slide 13 - Quizvraag

In een parallelschakeling..
A
is de stroom overal even groot
B
is er geen stroom
C
wordt de stroom verbruikt
D
verdeelt de stroom zich over de vertakkingen

Slide 14 - Quizvraag

Voorbeelden van spanningsbronnen zijn ....
A
batterij, dynamo, snoer
B
dynamo, elektromagneet, zonnecel
C
batterij, dynamo, zonnecel
D
batterij, zonnecel, elektromagneet

Slide 15 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding het symbool met nummer 5 geeft een ...... weer
A
batterij
B
schakelaar
C
stopcontact
D
lampje

Slide 16 - Quizvraag



A
1. kruis en 2. ongeveer
B
1. lampje en 2. ongeveer
C
1. lampje en 2. batterij
D
1. kruis en 2. batterij

Slide 17 - Quizvraag

De formule voor vermogen is
A
vermogen = spanning / stroomsterkte
B
vermogen = spanning x stroomsterkte
C
vermogen = spanning + stroomsterkte
D
vermogen = spanning - stroomsterkte

Slide 18 - Quizvraag

Waarin meet je het vermogen?
A
Ampère
B
Volt
C
Watt
D
Uren

Slide 19 - Quizvraag

Apparaten met een klein vermogen zijn energiezuiniger dan apparaten met een groot vermogen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quizvraag

Bereken het vermogen van een wasmachine die 2 A gebruikt en op het lichtnet werkt.
A
460 W
B
460000 W
C
0,460 W
D
4,60 W

Slide 21 - Quizvraag

Op de verpakking van een lampje staat: 6 V / 0,5 A.
Bereken het vermogen.
A
12W
B
3W
C
6W
D
60W

Slide 22 - Quizvraag

Hoeveel spanning staat er op het lichtnet?
A
210 V
B
230 V
C
12 V
D
120 V

Slide 23 - Quizvraag

Koffiezet apparaat is aangesloten op het lichtnet. Het apparaat neemt 3 A op. Bereken het vermogen (P).

Slide 24 - Open vraag

Wat ga je verder doen?
- Test jezelf van par. 1,3 en 4
- Flitskaarten maken

Slide 25 - Tekstslide