Trappen van vergelijking: bijvoeglijke naamwoorden
Trappen van vergelijking: bijvoeglijke naamwoorden
Leerdoel
Aan het einde van deze les weet je wat bijvoeglijke naamwoorden zijn en kun je trappen van vergelijking gebruiken.
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: een rode bal, een grote hond.
Voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden
Kijk naar deze woorden: zacht, lang, vrolijk. Ze vertellen hoe iets of iemand is.
Herken het bijvoeglijk naamwoord
In de zin: "De vrolijke kinderen spelen buiten", is "vrolijke" het bijvoeglijk naamwoord want vrolijke zegt iets over de kinderen.
Trappen van vergelijking
Dit is de gewone vorm, bijvoorbeeld: snel, mooi, groot.
Hiermee vergelijk je iets: sneller, mooier, groter.
middelste trap
onderste trap
grootste trap
Dit gebruik je als iets het meest is: snelst, mooist, grootst.
Voorbeelden met "groot"
middelste trap
onderste trap
De beer is groot.
De olifant is groter dan de beer.
grootste trap met "groot"
De walvis is het grootst van allemaal.
Let op de spelling!
Vaak komt er -er of -st achter het bijvoeglijk naamwoord. Soms verandert de spelling een beetje, zoals bij "leuk" → "leuker" → "leukst".
Quiz: weet jij het antwoord?
1. Wat is het bijvoeglijk naamwoord in deze zin: "De slimme kat vangt muizen"?
2. Maak de middelste trap van "klein".
3. Wat is de grootste trap van "hard"?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.