Lesaanbod_Behoeften en doelen formuleren

Module ondersteuningsplan


Lesaanbod 'Behoeften en doelen formuleren'
Thema 4 Boom Methodisch begeleiden
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
Maatschappelijke zorgMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Module ondersteuningsplan


Lesaanbod 'Behoeften en doelen formuleren'
Thema 4 Boom Methodisch begeleiden

Slide 1 - Tekstslide

Doel
  • Je formuleert ondersteuningsvragen die logisch voortkomen uit de beginsituatie
  • Je formuleert doelen specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden gericht op het behouden / vergroten van de eigen regie 

Slide 2 - Tekstslide

Vervolg methodische cyclus
Je hebt als het goed is;
  1. Informatie verzameld;
  2. De informatie gerubriceerd en geanalyseerd;
  3. De relevante informatie verwerkt in een beginsituatie.

Deze beginsituatie geeft een volledig beeld van jouw cliënt!

Slide 3 - Tekstslide

Wat doe je nu?

Slide 4 - Open vraag

Formuleren van ondersteunigsvragen
Ondersteuningsvragen komen altijd logisch voort vanuit de beginsituatie.
Hiervoor kijk je bij welke onderdelen (leefgebieden / ontwikkelingsgebieden) de cliënt problemen ervaart.

Slide 5 - Tekstslide

De PES-methode
Het goed formuleren van een probleem, zodat je er later de juiste doelen aan kunt verbinden, is niet altijd makkelijk. 
In het welzijnswerk is de PES-methode een veelgebruikt hulpmiddel voor probleemformulering. PES is de afkorting van:

  • Probleem: wat is het probleem?
  • Etiologie: wat zijn de oorzaken?
  • Symptomen: wat zijn de verschijnselen?

Slide 6 - Tekstslide

Linn
Linn woont in een familiehuis voor mensen met een autismespectrumstoornis (ASS) en wordt daar ondersteund bij het zelfstandig wonen. Haar ouders komen regelmatig langs en ze geniet van de bezoekjes aan de kinderen van haar broer. Ze is vaak ziek, zonder een duidelijke medische reden. 
Bij het toepassen van de Gordon-methode is het je opgevallen dat ze een slecht voedingspatroon heeft. Daarnaast heeft ze een laag activiteitenpatroon met nauwelijks sociale contacten buiten haar familie en medebewoners. Je weet dat er een verband kan bestaan tussen vereenzaming en een slechter functionerend immuunsysteem, met ziekte als gevolg. Je wilt hiervan een 'probleem' maken en er later doelen voor stellen.

Slide 7 - Tekstslide

Een probleemformulering voldoet aan een aantal criteria. Een goede probleemformulering stel je als volgt op:

Beschrijf het probleem zo veel mogelijk volgens de PES-methode.
Beschrijf concreet waarneembaar gedrag.
Beschrijf in voor de cliënt begrijpelijke taal (vermijd vakjargon).
Betrek de hulpvraag van de cliënt bij de beschrijving.
Beschrijf het probleem vanuit de cliënt, niet een probleem dat anderen met de cliënt hebben.
Toets je beschrijving: kun je er doelen van afleiden?
Bij meer problemen stel je prioriteiten; dit doe je samen met de cliënt, naastbetrokkenen en eventueel andere professionals.

Slide 8 - Tekstslide

Van probleem tot ondersteuningsvraag
Voorbeeld;
Probleem (beschrijf het probleem altijd kort en duidelijk):
Yentl is niet in staat om haar gevoelens adequaat te uiten, vooral als ze boos of verdrietig is.
Oorzaak: borderlinestoornis in samenhang met vroege uithuisplaatsing.
Symptomen: Yentl krast in haar armen, tot bloedens toe.

Slide 9 - Tekstslide

Welke ondersteuningsvraag zou jij voor Yentle formuleren?

Slide 10 - Open vraag

Formuleren van ondersteuningvragen
Ondersteuningsvragen beginnen bijvoorbeeld met;

Begeleid mij...
Leer mij...
Motiveer mij....
Activeer mij.....
Bied mij.....
etc.

Slide 11 - Tekstslide

Van ondersteuningsvraag naar doel
Als het probleem duidelijk is, kun je doelen gaan stellen. Die doelen moeten gericht zijn op het oplossen van het probleem. Bij het stellen van doelen gelden de volgende aandachtspunten:

  • Maak onderscheid in soorten doelen.(hoofddoelen/subdoelen- lange termijn-, en korte termijn doelen)
  • Let op de hoeveelheid doelen.
  • Focus niet alleen op verbetering.
  • Stem doelen af met anderen.

Slide 12 - Tekstslide

Soort doelen
Er zijn algemene doelen en subdoelen. 

Een algemeen doel is breed en vaak pas na langere tijd haalbaar.

Een algemeen doel verdeel je onder in kleinere doelen, subdoelen.

Slide 13 - Tekstslide

Casus
Dennis heeft een matig verstandelijke beperking.
(ernstige verstandelijke beperking (IQ 20-34 / ontwikkelingsleeftijd tussen de 3 en 5 jaar); matige verstandelijke beperking (IQ 35-49 / ontwikkelingsleeftijd 6-9 jaar; 
milde verstandelijke beperking (IQ 50-70 / ontwikkelingsleeftijd 9-12 jaar).
 
Hij is de laatste tijd duidelijk verslaafd geraakt aan gamen. Hij speelt tot diep in de nacht, staat laat op, gaat ook niet meer naar het dagactiviteitencentrum en heeft geen belangstelling meer voor zijn groepsgenoten.

Slide 14 - Tekstslide

Wat is volgens jou het algemene doel? En welke subdoelen kun je formuleren?

Slide 15 - Open vraag

Doelen Dennis
Algemeen doel: 
Dennis gaat weer naar het dagactiviteitencentrum gaat en neemt actief deel aan het groepsproces in de woongroep. 
Subdoelen:

Dennis realiseert zich dat hij verslaafd is en begrijpt wat de gevolgen zijn.
Dennis bouwt het gamen af, te beginnen met op tijd naar bed gaan.
Dennis gaat halve dagen naar het dagactiviteitencentrum en breidt dit langzaam uit.
Dennis gamed op vaste tijden.

Slide 16 - Tekstslide

Hoeveelheid doelen
Je kiest samen met de cliënt welke doelen op dat moment het belangrijkst en haalbaar zijn. 
Dit betekent dat je prioriteit aanbrengt in de keuze van doelen. 
In de praktijk blijkt dat het beter werkt als je aan twee of drie doelen tegelijkertijd werkt. 
 Als je ziet dat een doel te moeilijk is of een cliënt enorm gefrustreerd raakt, grijp dan in. Pas de doelen aan, voordat iemand afhaakt.

Slide 17 - Tekstslide

Geen doel op zich
Bedenk dat niet iedere cliënt per se en steeds aan ambitieuze doelen hoeft te werken. 

Er zijn genoeg cliënten van wie de situatie stabiel is. Formuleer dan een doel gericht op het stabiel houden van de situatie. 

Slide 18 - Tekstslide

Wat gaat goed?
Een valkuil bij het formuleren van problemen en het stellen van doelen is dat de focus te veel ligt op dat wat níét goed gaat. 
Dat is niet prettig voor de cliënt en ook niet nodig. 
Je kunt ook doelen stellen om vast te houden of te verbeteren wat wél goed gaat.

Slide 19 - Tekstslide

Stem doelen af
Doelen stellen doe je niet alleen. 
Behalve overleg met de cliënt en eventueel naastbetrokkenen overleg je ook met je collega's in het team. 
Overleg ook met andere disciplines. Zo kun je een diëtist of fysiotherapeut nodig hebben om doelen te stellen en te realiseren.

Slide 20 - Tekstslide

Wat zijn ook alweer SMART-doelen?

Slide 21 - Open vraag

SMART-doelen
Een algemene methode om ervoor te zorgen dat je doelen formuleert die passen bij de ondersteuningsvraag van de cliënt is de SMART-methode. De letters van SMART staan voor vijf criteria van de doelomschrijving:

Specifiek
Meetbaar
Acceptabel
Realistisch
Tijdgebonden.

Slide 22 - Tekstslide

SMART nog oefenen?
In eerdere modules heb je al geoefend met het formuleren van SMART-doelen.
Daarom gaan we er nu niet dieper op in. Wil je nog wel oefenen? 
Kijk in het doelen en leeractiviteiten schema welke leeractiviteiten je kunt doen!

Slide 23 - Tekstslide

Activiteiten die aansluiten op de doelen
Als je de doelen hebt geformuleerd bedenk je activiteiten (indien mogelijk met de cliënt) die ondersteunend zijn in het behalen van de doelen.

Slide 24 - Tekstslide

Subdoel Dennis
Laten we nog even kijken naar het subdoel van Dennis;

Dennis realiseert zich dat hij verslaafd is en begrijpt wat de gevolgen zijn.

Slide 25 - Tekstslide

Welke activiteit(en) sluiten aan op dit doel?

Slide 26 - Open vraag

Activiteiten subdoel Dennis
Dennis gaat naar psycho-educatie
Interventie met het systeem van Dennis

Slide 27 - Tekstslide

Aan de slag
Na deze les heb je als het goed is weer voldoende informatie om door te gaan met stap 5 van de eindopdracht.
Kijk weer goed op de moduleplanning wanneer je deze stap uitgewerkt bij je moet hebben.

Succes!

Slide 28 - Tekstslide