Les van 18 april groep 8

Les 17 april groep 8
Wat gaan we doen?

- Woordenschat bij tekst "Een goede mop";
- Een lang gezegde/ werkwoordelijk gezegde  ;
- Woordbenoeming;
- Spelling 'ou' en 'au' woorden;
Herhaling werkwoord vervoeging.

1 / 73
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands10th Grade

In deze les zitten 73 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 17 april groep 8
Wat gaan we doen?

- Woordenschat bij tekst "Een goede mop";
- Een lang gezegde/ werkwoordelijk gezegde  ;
- Woordbenoeming;
- Spelling 'ou' en 'au' woorden;
Herhaling werkwoord vervoeging.

Slide 1 - Tekstslide

Woordenschat

Ga naar blz. 10 van je taalboek en maak oefening 1

Slide 2 - Tekstslide

Dit is een tijdstip op een bepaalde datum dat iets af moet zijn.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 3 - Open vraag

Dit is het stelen van andermans tekst of ideeën.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 4 - Open vraag

Dit is een groot bedrijf.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 5 - Open vraag

Dit is een streek die je uithaalt.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 6 - Open vraag

Dit doe je in het theater.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 7 - Open vraag

Dit is een voorstel dat gaat over geld.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat

Slide 8 - Open vraag

Woordenschat

Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 11 oef 2

Slide 9 - Tekstslide

Woordenschat vervolg

Maak de volgende oefeningen:  welk woord past bij de zin?

Slide 10 - Tekstslide

Ik heb de tekst aangepast en verbeterd.

Kies uit: de cliënt / de offerte/ de versie

Slide 11 - Open vraag

Ik weet echt niet meer wat ik moet doen.

Kies uit: geniaal/ naïef / ten einde raad zijn

Slide 12 - Open vraag

De advocate verdedigt haar klant voor de rechtbank.

Kies uit: de cliënt/ de mime/ het plagiaat

Slide 13 - Open vraag

Wat het probleem ook is, Hasna weet een oplossing!

Kies uit: het concern/ de frustratie/ niet voor een gat te vangen zijn

Slide 14 - Open vraag

Meneer Van veen heeft de tekst van iemand anders overgeschreven.

Kies uit: de deadline/ de frats/ het plagiaat

Slide 15 - Open vraag

Als je niet op mijn kledingkast let, heb ik mijn hele kamer opgeruimd.

Kies uit: afgezien van/ argwanend/ naïef

Slide 16 - Open vraag

Woordenschat

Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 11 oef 3

Slide 17 - Tekstslide

Taal

Wat is een  lang gezegde ook alweer?

ALLE werkwoorden in een zin!!

Slide 18 - Tekstslide

Voorbeeld lang gezegde

Wat is het gezegde van deze zin?

De sterke tegenstander zouden we moeten kunnen verslaan

Slide 19 - Tekstslide

Oplossing:
De sterke tegenstander zouden we moeten kunnen verslaan

pv: zouden
gez: ALLE werkwoorden in een zin dus:
- zouden;
- moeten;
- kunnen;
- verslaan.

Slide 20 - Tekstslide

Jullie mogen allemaal gaan zitten op de bank in de hoek van de zaal.

Slide 21 - Open vraag

Taal

Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 7 oef 1
Onderstreep de persoonsvorm en kleur het gezegde.

Slide 22 - Tekstslide

Taal

Blijf op blz. 7 van je Taalboek  en maak oef 2

Onderstreep de persoonsvorm en kleur het gezegde.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Taal

Blijf op blz. 7 van je Taalboek  en maak oef 3

Onderstreep de persoonsvorm en kleur het gezegde.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Doen - en zijn - zinnen
Herhaling van vorige week:

In een doen-zin staat wat het onderwerp doet

In een zijn-zin staat wat het onderwerp doet is

Slide 27 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
In een DOEN-zin staat wat het onderwerp DOET.

In een doen-zin zijn ALLE werkwoorden samen het GEZEGDE.

Dit heet het werkwoordelijke gezegde.

Slide 28 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
Zin                                                                                                                                         werkw gez:

Kira typt een berichtje.                                                                                               typt

De glazenwasser maakte de ramen schoon.                                                   maakte schoon

Zou jij een glaasje water voor mij willen inschenken?                                zou willen inschenken

De reizigers staan in de rij de wachten.                                                              staan te wachten

Slide 29 - Tekstslide

Taal

Ga naar  blz. 16 van je Taalboek  en maak de 'eerst probeer oefening.

Slide 30 - Tekstslide

Taal

Blijf op blz. 16 van je Taalboek  en maak dan oefening 1.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Taal
Woordsoorten :
Herhaling:
- werkwoorden (ww)
- zelfstandignaamwoord (znw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)

Slide 33 - Tekstslide

Even oefenen:

Een watercentrale werkt eigenlijk net zoals een ouderwetse watermolen.

Slide 34 - Tekstslide

Even oefenen:
Een watercentrale werkt eigenlijk net zoals een ouderwetse watermolen.
lw            znw                 ww                                            lw          bnw              znw

Slide 35 - Tekstslide


Het grootste tropische regenwoud ter wereld ligt in Zuid-Amerika.

Slide 36 - Open vraag

Taal

Ga naar blz. 18 van je Taalboek  en maak dan oefening 1 verder af.

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Taal

Ga naar blz. 18 van je Taalboek  en maak dan oefening 2 

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
In een ZIJN-zin staat wat het onderwerp IS.

In een zijn-zin staat een vorm van het werkwoord  ZIJN 

Dit werkwoord koppelt aan het onderwerp een zelfstandignaamwoord (znw) of een bijvoeglijk naamwoord (bnw)

Dit heet het naamwoordelijke gezegde.

Slide 41 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Het werkwoord  en het naamwoord zijn samen het naamwoordelijke gezegde .

Een zijn-zin heeft ALTIJD een naamwoordelijk gezegde.


Slide 42 - Tekstslide

Even oefenen
Ronald  is  schoenmaker
                ww       znw
naamwoordelijk gezegde (nwgez): 
is schoenmaker

Slide 43 - Tekstslide

Even oefenen
De puppy's van de buren zijn klein
                                                      ww  bnw
naamwoordelijk gezegde (nwgez):
zijn klein

Slide 44 - Tekstslide

Taal

Ga naar  blz. 26 van je Taalboek  en maak de 'eerst probeer' oefening.

Slide 45 - Tekstslide

Taal

Maak daarna oefening 1.

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Spelling
Woorden met 'ou' en 'au'

Dit moet je gewoon leren.
Kijk naar het au-verhaal

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Video

Slide 50 - Link

Het is vandaag erg k__d buiten.

Slide 51 - Open vraag

Ik neem een p__ze na het werken.

Slide 52 - Open vraag

De lucht is mooi bl__w.

Slide 53 - Open vraag

Zij h__dt van chocola.

Slide 54 - Open vraag

Het t__w ligt op de grond.

Slide 55 - Open vraag

Wij gaan g__w naar school, anders zijn we te laat.

Slide 56 - Open vraag

Hij maakt een f__t in de som.

Slide 57 - Open vraag

Werkwoord vervoeging

Pak je vervoegingsschema erbij!


Slide 58 - Tekstslide

Slide 59 - Tekstslide

Werkwoord vervoeging

Bekijk de volgende filmpjes en maak aantekeningen!

Slide 60 - Tekstslide

Slide 61 - Video

Slide 62 - Video

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord?      -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf                         -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm"           ->  ik loop
Stap 4: om wie gaat het?                -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u)  stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 63 - Tekstslide

Even oefenen

Slide 64 - Tekstslide

Hij (pakken) iets uit de kast.

Slide 65 - Open vraag

Jij (rijden) veel te hard.

Slide 66 - Open vraag

Ik (geven) jou een cadeautje

Slide 67 - Open vraag

Zij (vragen) de weg aan een voorbijganger

Slide 68 - Open vraag

Zij (worden) morgen opgehaald van het vliegveld.

Slide 69 - Open vraag

Jij (kleden) je altijd zo kleurrijk.

Slide 70 - Open vraag

Tegenwoordige tijd

UITZONDERING:

Als er 'je' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen

Slide 71 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld

Slaap je altijd met de gordijnen open?

Neem je meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Word je ook zo moe van de hitte?

Slide 72 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd
Maar ALLEEN als het om jou gaat:

Slaapt je moeder altijd met de gordijnen open?
Neemt je zus meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Wordt je broer ook zo moe van de hitte?


Slide 73 - Tekstslide