Reflexive Verben

Toetsen
-morgen: formatieve toets
- Toetsweek: Kijk- en Luistertoets
- 5 februari inleveren Dossier

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Toetsen
-morgen: formatieve toets
- Toetsweek: Kijk- en Luistertoets
- 5 februari inleveren Dossier

Slide 1 - Tekstslide

Formatieve toets
- ik ken de wederkerende werkwoorden Quizlet
- ik kan de Dativ en of Akkusativ gebruiken bij een wederkerend werkwoord.
- ik ken de vaste voorzetsels bij een werkwoord inclusief de juiste naamval
- ik kan de Doppelkonnektoren gebruiken

Slide 2 - Tekstslide

Reflexive Verben
Leerdoel:
- ik ken de wederkerende werkwoorden in Quizlet
- ik weet wanneer een Dativ of Akkusativ komt
- ik kan de juiste naamval gebruiken na een wederkerend werkwoord

Slide 3 - Tekstslide

1. Ich freue.... schon ........ die Prüfungswoche
A
mir über
B
mich auf
C
dir auf
D
dich über

Slide 4 - Quizvraag

2. Du ernährst ______immer so gesund!
A
mich
B
mir
C
dich
D
dir

Slide 5 - Quizvraag

1. Ich ziehe mir meine Jacke an
2. Ich ziehe mich an
Was ist der Unterschied zwischen den beiden Sätzen?

Slide 6 - Open vraag

Maak zelf een zin met een Dativ en één met een Akkusativ:
Gebruik het werkwoord: sich waschen

Slide 7 - Open vraag

Maak zelf een zin met een Dativ en één met een Akkusativ:
Gebruik het werkwoord: sich kämmen

Slide 8 - Open vraag

Ik weet welk voorzetsel bij een werkwoord hoort

Slide 9 - Tekstslide

Ich bewerbe mich__________ Job
A
nach einem
B
um einen
C
für einen
D
zu einem

Slide 10 - Quizvraag

Ich habe mich vor einer Woche _________Freundin verabredet
A
zu meiner
B
nach meiner
C
mit meiner
D
von meiner

Slide 11 - Quizvraag

Er verabschiedet sich ______________ Freundin bevor seiner Abreise ins Ausland
A
mit seiner
B
aus seiner
C
nach seiner
D
von seiner

Slide 12 - Quizvraag

Er konnte sich nicht mehr _____________Kindheit erinnern
A
an seine
B
an seiner
C
an seinen
D
an seinem

Slide 13 - Quizvraag

Ik kan de juiste naamval gebruiken na een wederkerend werkwoord met een voorzetsel

Slide 14 - Tekstslide

Er hat sich über ____________(der Unterricht) (sich ärgern über)

Slide 15 - Open vraag

Bilde einen Satz:
sich entschuldigen bei.....für.....

Slide 16 - Open vraag

Bilde einen Satz
sich entscheiden für

Slide 17 - Open vraag

Bilde einen Satz:
sich beschäftigen mit

Slide 18 - Open vraag

Zweiteilige Doppelkonnektoren
Welche Konnektoren fehlen? Bilde jeweils einen vollständigen Satz! 

Slide 19 - Tekstslide

Wir brauchen ..................... etwas zu trinken, ..................... es muss ..................... etwas zu essen geben.

Slide 20 - Open vraag

Das Wasser ist kalt. Wir gehen schwimmen.

Slide 21 - Open vraag

Ich / ab Januar / eine Gehaltserhöhung / bekommen /// ich / meine Stelle kündigen

Slide 22 - Open vraag

......... mehr Geld ich verdiene, ...............schneller kann ich mir ein Haus kaufen.

Slide 23 - Open vraag

Stel eens 1 vraag die je nu nog hebt.

Slide 24 - Open vraag