iweh Der und ein Gruppe stap voor stap




voorzetsels & der- en ein-Gruppe
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les




voorzetsels & der- en ein-Gruppe

Slide 1 - Tekstslide

Waardoor wordt de naamval bepaald? (1)
  • Voorzetsels:
3e naamval --> aus - bei - mit - nach - seit - von - zu -entgegen                                   gegenüber - außer 

4e naamval --> durch - für - gegen - ohne - um - bis

Slide 2 - Tekstslide

De betekenis
4e naamval:
durch = door
für = voor
ohne = zonder
um = om
bis = tot
gegen = tegen

Slide 3 - Tekstslide

De betekenis
3e naamval:
aus = uit
bei = bij
mit = met
nach = na, naar
seit = sinds
von = van, door
zu = naar (bij personen)

Slide 4 - Tekstslide

Waardoor wordt de naamval bepaald? (2)
Functie van het zinsdeel in de zin:

1e naamval --> Het onderwerp (wie/wat + ww?) 

3e naamval --> Het meewerkend voorwerp (aan wie/ voor wie + ww + onderwerp?)

4e naamval --> Het lijdend voorwerp (wie/wat + ww +onderwerp?)

(de).... Mann schreibt.
(de).... Mann schreibt (een).... Buch. 
(de)....Mann schenkt (zijn) ..... Frau (een).... Buch

Slide 5 - Tekstslide

vervoegen
Persoonlijke voornaamwoorden veranderen als je een andere naamval gebruikt.
Ich kenne du -> dich
  1e                1e       4e

Ook de woorden uit de der- en de ein-Gruppe veranderen en krijgen andere uitgangen. 

Slide 6 - Tekstslide

der Gruppe:


der, die, das (bepaalde lidwoorden)


 dies-  (deze)

 jed-  (ieder)

 welch- (welke)

 solch-  (zulke)

 all-  (alle)

 manch-  (sommige)

ein Gruppe:


ein- (onbepaalde lidwoord)


 kein-  (geen)

 mein-  (mijn)

 dein-  (jou)

sein-  (zijn)

ihr-  (haar)

 unser-  (onze)

 euer-  (jullie)

 ihr-  (hun)

Ihr-  (uw)

Slide 7 - Tekstslide

alle woorden uit de der-Gruppe (der, die, das) en alle woorden uit de ein-Gruppe (ein, kei, .mein, dein, sein, unser, euer, ihr) worden op dezelfde manier vervoegd, ze krijgen dus dezelfde uitgangen in de 1e, 3e en 4e naamval.

Slide 8 - Tekstslide

ein-Gruppe
De dikgedrukte uitgangen zijn gelijk aan de uitgangen in de der-Gruppe
m
v
o
mv
1
ein Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
3
einem Mann
einer Frau
einem Kind
keinen Kindern
4
einen Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder

Slide 9 - Tekstslide

Der-Gruppe
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e
der Mann
die Frau
das Kind
die Kinder
3e
dem Mann
der Frau
dem Kind
den Kindern
4e
den Mann
die Frau
das Kind
die Kinder

Slide 10 - Tekstslide

Der- ein-Gruppe
mannelijk
     Mann
vrouwelijk
    Frau
onzijdig
    Kind
meervoud
   Kinder
1e
der 
ein -
die 
eine 
das 
ein - 
die
keine
3e
dem
einem
der 
einer
dem 
einem
den Kindern
keinen Kindern
4e
den 
einen
die 
eine
das 
ein -
die
keine

Slide 11 - Tekstslide

m
v
o
mv
1
ein, mein, dein, sein, ihr unser, euer , ihr Mann
eine Frau,
meine
deine.......
ein Kind
keine Kinder
3
einem, meinem, deinem, seinem, ihrem, unserem, eurem, Ihrem Mann
einer Frau, 
meiner
deiner
seiner
.......
einem Kind,
deinem, seinem, ihrem, unserem......
keinen Kindern
meinen Kindern
unseren Kindern
4
einen, meinen, deinen, seinen, ihren, unseren, euren, ihren Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder.
meine Kinder,
deine, seine, ihre.....

Slide 12 - Tekstslide

m
v
o
mv
1
der, dieser, welcher, jener, mancher, solcher
die, diese, welche, manche, jene, solche
das, dieses, welches, jenes, manches....
die, diese, welche, jene, manche, solche, alle
3
dem, diesem, welchem, jenem, manchem, solchem, 
der, dieser, welcher, jener, mancher, solcher, 
dem, diesem welchem, jenem, manchem, solchem
den Kindern,
diesen Kindern, welchen Kindern
....
4
den, diesen, welchen, jenen manchen, solchen, 
die, diese, welche, jene, manche, solche
das, dieses, welches, jenes, manches, solches
die Kinder
diese Kinder
manche KInder
.....

Slide 13 - Tekstslide

Der-Gruppe
De der-Gruppe bestaat uit de volgende woorden:
der
die
das

Dit zijn de lidwoorden in de 1e naamval. Als je een andere naamval gebruikt, verandert de uitgang.

Slide 14 - Tekstslide

Der - Gruppe

Slide 15 - Tekstslide

Ein - Gruppe

Slide 16 - Tekstslide

Ein - Gruppe
  • Ich gehe mit (mijn) ..... Hund (m) spazieren.
  • Ich gehe mit meinem Hund spazieren. (+3)

  • Es gibt (geen) ..... Mann (m) in der Schule.
  • Es gibt keinen Mann in der Schule. (+4)

  • Ich gebe (jou)..... Freundin (v) ein Geschenk.
  • Ich gebe deiner Freundin ein Geschenk. (+3)


Slide 17 - Tekstslide

  • (Deze).... Hund (m) hat ein schönes Fell
  • Dieser Hund hat ein schönes Fell


  • Wir haben unsere Katze seit (een).... Jahr (o)
  • Wir haben unsere Katze seit einem Jahr (o)

Slide 18 - Tekstslide

Nu eerst even oefenen
sleep de juiste vertaling naar het juiste voorzetsel

Slide 19 - Tekstslide

uit
naar (personen)
van, door
na, naar
bij
sinds
met
von
zu
seit
nach
mit
bei
aus

Slide 20 - Sleepvraag

door
tot
zonder
tegen
om
voor
bis
um
ohne
für
gegen
durch

Slide 21 - Sleepvraag

Proefzin stap voor stap
Eerst doen we een zin met een woord uit de der-Gruppe.
Het gaat om de zin:
Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.

Slide 22 - Tekstslide

Stap 1
Hoort het woord bij de der- of bij de ein- Gruppe?

Slide 23 - Tekstslide

Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.
(der- of ein-Gruppe?)
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 24 - Quizvraag

Stap 2
Is het zelfstandig naamwoord m, v, o of mv?

Slide 25 - Tekstslide

Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.
(m, vr, o, of mv?)
A
der, m
B
die, v
C
das, o
D
die (mv)

Slide 26 - Quizvraag

Stap 3
Staat er een voorzetsel in de zin?

Slide 27 - Tekstslide

Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.
(staat er een voorzetsel bij?)
A
nee
B
ja

Slide 28 - Quizvraag

Stap 4
Bij welke naamval hoort dit voorzetsel?

Slide 29 - Tekstslide

Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.
(voorzetsel plus welke naamval?)
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval

Slide 30 - Quizvraag

Stap 5
Wat wordt dan de juiste vertaling van het woord "de"?

-> 3e naamval, der-Gruppe, vrouwelijk

Slide 31 - Tekstslide

Mit ...... (de) Lehrerin habe ich gestern gesprochen.
der Gruppe
A
dem
B
die
C
den
D
der

Slide 32 - Quizvraag

oefenen

Slide 33 - Tekstslide

Durch ... (de) Mann habe ich die Prüfungen geschafft.

Slide 34 - Open vraag

Für ..... (mijn) Sohn habe ich Nachhilfe organisiert

Slide 35 - Open vraag

Nach ... (de) Schule spiele ich Fußball.

Slide 36 - Open vraag

Zu .... (mijn) Kinder.. (mv) bin ich immer streng.
Let op, hier moet je ook het znw invullen!

Slide 37 - Open vraag

Um ... (een) guten Blick (m) zu bekommen brauchen wir eine Übersicht.

Slide 38 - Open vraag

Tot zo ver de Lesson Up
Heb je nog vragen of kom je er niet uit? 

Laat het me weten!

Slide 39 - Tekstslide