cross

Le Passé Composé (avoir): brugklas

le Passé Composé
V.T.T.
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

le Passé Composé
V.T.T.

Slide 1 - Tekstslide

Passé Composé??!!

Slide 2 - Woordweb

Zet de zin in de verleden tijd (en zorg dat je het ww 'hebben' gebruikt)
Ik speel.

Slide 3 - Open vraag

Nog eentje...
"Wij spelen."
A
Wij speeelden.
B
Wij hebben gespeelt.
C
Wij hebben gespeeld.
D
Wij zijn gespeeld.

Slide 4 - Quizvraag

Geloof me... Frans is niets moeilijker!
Ik speel. -> Je joue. 
Ik heb gespeeld. -> J'ai joué.

Wij spelen. -> Nous jouons.
Wij hebben gespeeld. -> Nous avons joué.

Slide 5 - Tekstslide

Passé Composé : 2 delen
- Deel 1: het werkwoord AVOIR

j'ai
tu as
il / elle / on a
nous avons
vous avez
ils / elles ont

Slide 6 - Tekstslide

Passé Composé : 2 delen
- Deel 2: het voltooid deelwoord
Voorbeelden:
joué
dansé
aimé 
regardé
acheté

Slide 7 - Tekstslide

Wat viel op aan het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden op -ER?:
A
eindigen allemaal op é
B
eindigen allemaal op iets anders
C
eindigen allemaal op ée
D
zien er leuk uit

Slide 8 - Quizvraag

Faites attention!
Verbes irréguliers:

- être -> été : J'ai été malade. = Ik ben ziek geweest.
- avoir -> eu : Il a eu un cadeau. = Hij heeft een cadeau gekregen.
- prendre -> pris : Nous avons pris le métro. = Wij hebben de metro genomen.
- faire -> fait : Tu as fait des photos? = Heb je foto's gemaakt?
- vouloir -> voulu : Elle a voulu avoir un chien. = Zij heeft een hond gewild.

Slide 9 - Tekstslide

Ik heb gedanst.
A
Je danse
B
Je suis dansé
C
J'ai danse
D
J'ai dansé

Slide 10 - Quizvraag

Zij heeft gekeken.
A
Elle a regardé
B
Elle a regardée
C
Elle regardé
D
Elle a regarde

Slide 11 - Quizvraag

Jullie hebben gegeten.
A
Vous avez mangée
B
Vous aves mangé
C
Vous avez mange
D
Vous avez mangé

Slide 12 - Quizvraag

Wij hebben gespeeld (nous - jouer).

Slide 13 - Open vraag

Jij hebt gewonnen (gagner).

Slide 14 - Open vraag

Zij hebben gewerkt (Ils - travailler).

Slide 15 - Open vraag

Wat zijn de vormen van het werkwoord Avoir ???

Slide 16 - Open vraag