Film, inleiding en 2.1

Film

Beschouwing - les 3

1 / 49
volgende
Slide 1: Slide
newEditorArtSecondary Education

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Film

Beschouwing - les 3

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

6. Hoe worden in Slip pantomimische bewegingen gebruikt?

A

De dansers gebruiken vooral abstracte bewegingen die losstaan van de songtekst.

B

De dansers beelden woorden uit de songtekst uit, bijvoorbeeld door ogen te bedekken bij watching you en elkaar los te laten bij let go.

C

De dansers vertellen het verhaal uitsluitend door gezichtsuitdrukkingen.

D

De dansers gebruiken uitsluitend klassieke balletbewegingen om de songtekst te ondersteunen.

Bij pantomime worden bewegingen en gebaren gebruikt om iets uit te beelden, zonder dat de danser dat zelf hoeft uit te spreken.

In Slip zie je dat heel duidelijk. Bij watching you houdt de danseres haar handen voor de ogen van de danser. Bij let go laat hij haar los.

De bewegingen verwijzen dus rechtstreeks naar de gezongen tekst. Dat maakt B het juiste antwoord

7. Hoe herken je de combinatie van hiphop en klassieke dans in Slip?

A

Beide dansers gebruiken uitsluitend vloeiende bewegingen en pirouettes.

B

De man maakt vooral sierlijke balletbewegingen, terwijl de vrouw popping gebruikt.

C

De man maakt hoekige, schokkerige bewegingen, terwijl de vrouw sierlijke bewegingen, gestrekte armen en pirouettes laat zien.

D

De dansers bewegen voortdurend in hetzelfde ritme en gebruiken dezelfde danstechniek.

Bij de inzet van het refrein zie je een duidelijk verschil tussen de dansers.

De man gebruikt hoekige en schokkerige bewegingen die passen bij hiphop, bijvoorbeeld popping. De vrouw maakt juist sierlijke bewegingen, strekt haar armen en benen en draait pirouettes.

Dat is een voorbeeld van hoe verschillende dansstijlen binnen één choreografie gecombineerd kunnen worden.

8. Hoe beïnvloedt het cameragebruik de betekenis van de dansfilm Slip?

A

De camera blijft op een vaste positie staan, zodat alle bewegingen objectief zichtbaar zijn.

B

De camera gebruikt uitsluitend totaalshots, waardoor de relatie tussen de dansers minder belangrijk wordt.

C

De camera beweegt mee, wisselt close-ups en totaalshots af en benadrukt zo de verbondenheid en het loskomen van de dansers.

D

De camerabewegingen hebben geen invloed op de betekenis, omdat alleen de choreografie belangrijk is.

Dit is een belangrijke vraag, juist omdat we hierna met film beginnen.

In Slip is de camera niet alleen bedoeld om de dans vast te leggen. De camera beweegt mee en er wordt afgewisseld tussen close-ups en totaalshots.

Close-ups benadrukken de verbondenheid tussen de dansers. Met camerabewegingen langs het perron wordt juist het loskomen van elkaar benadrukt.

De filmische vormgeving ondersteunt dus de betekenis van de choreografie

Deze slide heeft geen instructies

9. Hoe maakt de theatervormgeving in Het Zwanenmeer onderscheid tussen de realistische en de betoverde wereld?

A

De realistische wereld heeft een kleurrijk paleisdecor en historische kostuums; de betoverde wereld heeft een blauw toneelbeeld en witte balletkostuums.

B

Beide werelden gebruiken hetzelfde decor en dezelfde kostuums, zodat alleen de dansstijl het verschil aangeeft.

C

De betoverde wereld is kleurrijk en realistisch ingericht, terwijl de paleisscènes volledig abstract zijn.

D

In de betoverde wereld dragen de dansers historische hofkostuums en in de realistische wereld witte tutu's.

In Het Zwanenmeer wordt met de theatervormgeving duidelijk onderscheid gemaakt tussen twee werelden.

De realistische wereld heeft een paleisdecor, historische kostuums en warme kleuren, zoals rood en geel.

De betoverde wereld is veel soberder, met een blauw toneelbeeld en witte balletkostuums.

Je ziet dus hoe decor, kostuums en kleurgebruik bijdragen aan de betekenis van de voorstelling.

10. Welke beschrijving van ruimte, tijd en kracht past het beste bij het corps de ballet in een ballet blanc?

A

Ruimte: willekeurige posities. Tijd: snelle, onregelmatige bewegingen. Kracht: explosief en schokkerig.

B

Ruimte: patronen en formaties. Tijd: overwegend langzaam. Kracht: vloeiend, sierlijk en schijnbaar moeiteloos.

C

Ruimte: alleen individuele bewegingen. Tijd: voortdurend versnellen. Kracht: zwaar en agressief.

D

Ruimte: uitsluitend sprongen in de hoogste laag. Tijd: snelle afwisseling. Kracht: hoekig en krachtig.

Bij deze vraag combineren we de drie belangrijkste aspecten van dans: ruimte, tijd en kracht.

Het corps de ballet beweegt in formaties en patronen. Dat hoort bij ruimte.

De bewegingen zijn overwegend langzaam. Dat hoort bij tijd.

En de dansers bewegen vloeiend en sierlijk, vaak op spitzen, waardoor het lijkt alsof de bewegingen nauwelijks kracht kosten. Dat hoort bij kracht.

Dit onderscheid moeten jullie ook kunnen toepassen wanneer je zelfstandig een dansvoorstelling beschouwt

Voorstelling, vormgeving en betekenis

  • Voorstelling: fictie, non-fictie, animatie, plot en scenario.

  • Vormgeving: de filmische middelen waarmee het verhaal wordt verteld.

  • Betekenis: de boodschap, gevoelens en ideeën die de film overbrengt.

Bij film gaan we eigenlijk op dezelfde manier kijken als bij de andere kunstdisciplines die we hebben besproken. We maken onderscheid tussen voorstelling, vormgeving en betekenis.

Bij voorstelling kijken we naar wat er wordt verteld. Is het een verzonnen verhaal, dus fictie, of gaat het om de werkelijkheid, non-fictie? Animatie is weer een techniek waarmee je beelden tot leven brengt. De plot is de samenhang tussen de gebeurtenissen en het scenario is de uitgewerkte versie van het verhaal, met scènes en dialogen.

Bij vormgeving kijken we naar hoe de filmmaker dat verhaal vertelt. Welke keuzes worden er gemaakt met de camera, het licht, het geluid en de montage?

En bij betekenis vragen we ons af wat de film wil overbrengen. Welke gevoelens of ideeën roept de film op?

We gaan vooral kijken naar die vormgeving, omdat je daarmee kunt verklaren waarom een film op een bepaalde manier overkomt.

Enscenering en kadrering

  • Hoe wordt het filmbeeld opgebouwd?

    • Enscenering (mise-en-scène): de plaatsing en vormgeving van acteurs, decor, rekwisieten, licht en kleur.

    • Kadrering: de keuze van wat binnen het filmbeeld zichtbaar is.

    • Close-up: benadrukt details en emoties.

    • Medium shot / total shot: tonen steeds meer van de personages en hun omgeving.

Een filmmaker bepaalt heel bewust wat wij in beeld krijgen.

Dat begint bij de enscenering, ook wel mise-en-scène genoemd. Denk aan het decor, de kleding, de voorwerpen, de belichting en de plaats van de acteurs.

Stel je voor dat je een scène ziet in een donkere kamer, met één persoon in een hoek en nauwelijks verlichting. Dan krijg je meteen een ander gevoel dan wanneer dezelfde persoon in een lichte, kleurrijke ruimte staat. Zonder dat er iets gezegd wordt, verandert de sfeer al.

Daarnaast hebben we kadrering. Dat betekent dat de filmmaker bepaalt hoeveel van die scène wij te zien krijgen.

Bij een close-up zien we bijvoorbeeld alleen een gezicht of een detail. Daardoor letten we vooral op de emotie. Bij een medium shot zien we meer van het lichaam en bij een total shot krijgen we een overzicht van de omgeving.

En denk even terug aan Slip. Daar wisselde de camera tussen close-ups en totaalshots. Dat had invloed op hoe wij de relatie tussen de dansers beleefden.

Dus onthoud: enscenering gaat over wat er in de scène wordt geplaatst, kadrering over welk deel daarvan wij te zien krijgen.

Cameragebruik

Hoe beïnvloedt de camera onze blik?

  • Camerastandpunt: vogelperspectief, ooghoogte en kikkerperspectief.

  • Subjectief / objectief: kijken vanuit een personage of als buitenstaander.

  • Camerabeweging: pan (horizontaal), tilt (verticaal), crane/lift (verplaatsing) en handheld (uit de hand).

Naast wat er in beeld komt, is het ook belangrijk vanuit welke positie we kijken.

Bij een vogelperspectief kijken we van bovenaf. Een personage kan daardoor klein of kwetsbaar lijken.

Bij een kikkerperspectief kijken we juist van onderaf. Dan kan iemand groot, machtig of zelfs bedreigend overkomen.

Op ooghoogte voelt het beeld vaak wat neutraler, alsof we zelf tegenover de persoon staan.

We maken ook onderscheid tussen een subjectief en een objectief camerastandpunt. Bij subjectief kijken we als het ware door de ogen van een personage. Bij objectief kijken we van buitenaf naar wat er gebeurt.

En dan kan de camera natuurlijk ook nog bewegen.

Bij een pan draait de camera van links naar rechts of andersom. Bij een tilt kantelt de camera omhoog of omlaag. Met een crane of lift kan de camera zich verplaatsen, bijvoorbeeld omhoog of over een scène heen. En bij handheld wordt uit de hand gefilmd, wat een beweeglijk of onrustig effect kan geven.

Waarom zou een regisseur bewust kiezen voor zo'n onrustige camera?

Montage en nabewerking

Hoe ontstaat het uiteindelijke filmbeeld?

  • Montage: opnamen worden samengevoegd tot een geheel.

  • Volgorde, ritme en tempo beïnvloeden het verhaal en de spanning.

  • Nabewerking: digitale effecten, green screen, kleurcorrectie en geluidsbewerking.

Als een film is opgenomen, is hij natuurlijk nog niet klaar.

Tijdens de montage worden de verschillende opnamen samengevoegd. De filmmaker bepaalt welke beelden we achter elkaar zien en hoe lang ieder beeld in beeld blijft.

Dat heeft enorm veel invloed op de manier waarop wij een verhaal beleven.

Denk maar aan een achtervolging. Als de beelden elkaar heel snel afwisselen, krijgen we een gevoel van haast en spanning. Maar als de camera heel lang blijft doorfilmen zonder te knippen, kan het juist voelen alsof we zelf midden in de gebeurtenis staan.

Daarnaast is er nabewerking. Daarbij worden beelden en geluiden aangepast of toegevoegd.

Kijk maar naar het voorbeeld van green screen. Tijdens het filmen is die omgeving er helemaal niet, maar in de uiteindelijke film lijkt alles echt.

Ook kleurcorrectie, digitale effecten en sound design horen hierbij. Met sound design bedoelen we de bewuste vormgeving van geluiden in een film.

Dus niet alles wat je in een film ziet of hoort, is ook daadwerkelijk zo opgenomen.

Spel, muziek en betekenis

Hoe beïnvloedt film de kijker?

  • Spel: acteurs gebruiken mimiek, lichaamstaal en stem; bij method acting staat inleving centraal.

  • Muziek en geluid: versterken de sfeer, spanning en emoties.

  • Betekenis: film kan vermaken, ontroeren, overtuigen of maatschappelijke kritiek leveren.

Tot slot zijn ook spel en muziek belangrijke onderdelen van de vormgeving.

Bij spel kijken we naar hoe acteurs hun personage neerzetten. Dat doen ze met hun gezichtsuitdrukking, lichaamstaal en stemgebruik.

Sommige acteurs proberen zich heel intensief in hun personage in te leven. Dat noemen we method acting.

Muziek en geluid bepalen daarnaast voor een groot deel hoe wij een scène ervaren.

Stel je een scène voor waarin iemand 's nachts alleen door een huis loopt. Als daar vrolijke muziek onder staat, voelt dat heel anders dan wanneer je alleen krakende vloeren en dreigende muziek hoort.

En daarmee komen we bij de betekenis. Een film kan ons vermaken of ontroeren, maar ook een boodschap overbrengen of kritiek leveren op de samenleving.

Bij een goede kunstbeschouwing is het dus niet voldoende om te zeggen: 'De muziek is spannend.'

Je moet kunnen uitleggen waardoor die spanning ontstaat en welk effect dat op de kijker heeft.

Dat is precies wat we nu gaan oefenen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Welke van de twee sprak je het meest aan?

1

Geen, ik vind films vreselijk

2

Get out

3

1917

4

Ik zou beide films helemaal willen zien

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog van de vorige les?

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 1 - Tragedie vroeger en nu

1a. Wat is een belangrijk verschil tussen het bekijken van tragedies vroeger en nu?

A

Theater is tegenwoordig de enige kunstvorm waarmee we verhalen beleven.

B

Tegenwoordig kunnen we ons ook via films en series in fictieve personages inleven.

C

Griekse tragedies worden tegenwoordig niet meer opgevoerd.

D

Tegenwoordig kunnen mensen zich minder goed in personages inleven.

De tragedie is een ernstig genre. Het publiek kan zich herkennen in de personages en de problemen waarmee zij te maken krijgen.

Maar de tragedie was meer dan alleen een verhaal. In de Griekse samenleving had theater ook een maatschappelijke functie. Het bracht mensen samen en liet hen nadenken over menselijke dilemma's en het functioneren van de samenleving.

Bij de komedie lag de nadruk veel meer op amusement en satire. Dat verschil moeten jullie kennen.

Vraag 1 - Tragedie vroeger en nu

1b. Wat is een belangrijke overeenkomst?

A

De opvoeringen zijn nog precies hetzelfde.

B

De onderwerpen en menselijke dilemma's zijn nog steeds herkenbaar en actueel.

C

Tragedies hebben tegenwoordig geen maatschappelijke betekenis meer.

D

Het publiek kent de afloop van iedere tragedie.

Bij vraag 1 moesten jullie kijken naar wat er veranderd is en wat hetzelfde is gebleven. Tegenwoordig hebben we naast theater natuurlijk ook films en series. Maar de menselijke dilemma's die in Griekse tragedies centraal staan, zijn nog steeds herkenbaar. Denk aan Oedipus: kun je je eigen lot bepalen?

Vraag 2. - Tragedie en komedie

2a. Wat kenmerkt de Griekse tragedie?

A

Een satirisch genre met politieke grappen en uitbundige dans.

B

Een ernstig genre met herkenbare dilemma's, maatschappelijke betekenis en statige dans.

C

Een genre dat uitsluitend bedoeld is om het publiek te vermaken.

D

Een genre waarin politieke onderwerpen geen rol spelen.

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 2. - Tragedie en komedie

2b. Wat kenmerkt de Griekse komedie?

A

Een ernstig genre met statige dans en een religieuze functie.

B

Een genre zonder verwijzingen naar de politieke actualiteit.

C

Een satirisch genre met schunnige grappen, politieke verwijzingen en levendige dans.

D

Een genre waarin het publiek zich vooral met tragische personages identificeert.

Bij deze opdracht moesten jullie de tragedie en komedie vergelijken. De tragedie is ernstig en kan het publiek laten nadenken over maatschappelijke kwesties. De dans is daarbij statig.

De komedie is veel meer gericht op amusement, met satire en politieke verwijzingen. Ook de dans is uitbundiger en soms zelfs obsceen.

Vraag 3 – Eenheid van tijd, plaats en handeling

Wat houdt de eenheid van tijd, plaats en handeling in?

A

Het verhaal speelt zich af op verschillende plaatsen en in verschillende perioden.

B

Het verhaal speelt zich binnen één dag en op één plaats af, zonder uitweidingen buiten de centrale verhaallijn.

C

Het verhaal bestaat uit drie afzonderlijke gebeurtenissen.

D

Het verhaal mag meerdere verhaallijnen bevatten, zolang dezelfde personages voorkomen.

Bij de eenheid van tijd, plaats en handeling speelt het verhaal zich binnen één dag en op één plaats af. Alle gebeurtenissen moeten bijdragen aan de centrale verhaallijn. Er zijn dus geen zijsprongen of uitweidingen

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 4 – Grieks en Romeins theater

4a. Wat zijn twee bouwkundige verschillen tussen Griekse en Romeinse theaters?

A

Romeinse theaters hebben een gehalveerde orchestra en een verhoogd podium.

B

Griekse theaters hebben een gehalveerde orchestra en een verhoogd podium.

C

Romeinse theaters hebben geen podium en worden altijd tegen een helling gebouwd.

D

Griekse theaters hebben een hoge decorwand en zijn volledig vrijstaand.

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 4 – Grieks en Romeins theater

4b. Wat is een verschil in functie en gebruik?

A

Romeinse theaters hadden uitsluitend een religieuze functie.

B

In Romeinse theaters kreeg iedereen dezelfde plaats toegewezen.

C

Romeinse theaters waren vooral bedoeld voor vermaak en de zitplaatsen weerspiegelden de maatschappelijke hiërarchie.

D

Griekse theaters waren uitsluitend bedoeld voor politieke vergaderingen.

De Romeinen namen het theater over van de Grieken, maar pasten de bouw aan. De orchestra werd gehalveerd, er kwam een verhoogd podium en een decorwand met zuilen.

Ook de functie veranderde. Bij de Romeinen ging het vooral om vermaak en de zitplaatsen waren verdeeld volgens de maatschappelijke positie van het publiek.

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 5 – Het muziekonderzoek van Pythagoras

Hoe pakt Pythagoras muziekonderzoek op een wiskundige, wetenschappelijke manier aan?

A

Hij onderzoekt hoe het ritme de toonhoogte beïnvloedt.

B

Hij ontdekt dat geluid zich in cirkelvormige patronen voortplant.

C

Hij gebruikt een monochord om toonafstanden te meten en ontdekt vaste getalsverhoudingen.

D

Hij berekent de snelheid waarmee geluid zich door verschillende materialen verplaatst.

Pythagoras gebruikte de monochord, een instrument met een snaar, om toonafstanden te onderzoeken. Hij ontdekte dat muzikale intervallen samenhangen met vaste getalsverhoudingen. Als je bijvoorbeeld de snaarlengte halveert, wordt de toon een octaaf hoger.

Vraag 6 – Romeinse muziekuitvoeringen

Waarom nemen de grootschalige Romeinse muziekuitvoeringen in de derde en vierde eeuw na Christus af?

A

Er zijn steeds minder muziekinstrumenten beschikbaar.

B

Het Romeinse Rijk raakt economisch in verval en de christelijke kerk beschouwt de Romeinse muziek als heidens.

C

De Romeinse keizers verbieden muziek bij openbare gebeurtenissen.

D

De christelijke kerk verbiedt alle vormen van muziek.

Er zijn twee belangrijke oorzaken. Het Romeinse Rijk raakt economisch in verval en tegelijkertijd krijgt het christendom steeds meer invloed. De kerk beschouwt de Romeinse muziek als heidens.

Dit is meteen een mooie overgang naar het volgende hoofdstuk, waarin de christelijke kerk een centrale rol speelt.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 7 – Griekse en Romeinse beeldhouwkunst

Wat is het verschil tussen Griekse en Romeinse beeldhouwkunst, wat betreft functie en vormgeving?

A

Griekse beelden tonen vooral geïdealiseerde goden; Romeinse beelden tonen ook keizers en generaals, vaak met realistische kenmerken.

B

Griekse beelden tonen vooral herkenbare burgers; Romeinse beelden uitsluitend goden.

C

Griekse en Romeinse beelden hebben dezelfde functie en worden op dezelfde manier vormgegeven.

D

Griekse beelden zijn vooral decoratief, terwijl Romeinse beelden uitsluitend een religieuze functie hebben.

De Grieken maakten vooral godenbeelden met een religieuze functie. Daarbij streefden ze naar een ideaal mensbeeld.

De Romeinen maakten ook portretten van keizers en generaals. Ze wilden specifieke personen herkenbaar weergeven, soms inclusief hun onvolkomenheden.

Let erop dat de vraag zowel over de functie als over de vormgeving gaat.

Vraag 8 – Ondersteuning van de beelden

Hoe wordt de ondersteuning bij de Apollo van Belvedère en Augustus van Prima Porta verborgen?

A

Bij beide beelden wordt de ondersteuning verborgen in de kleding.

B

Bij Apollo staat een boomstammetje tegen het rechterbeen; bij Augustus staat een Cupido op een dolfijn tegen het rechterbeen.

C

Bij Apollo wordt een zuil gebruikt; bij Augustus een schild.

D

Beide beelden zijn volledig vrijstaand en hebben geen extra ondersteuning.

Marmeren beelden hebben soms extra ondersteuning nodig, bijvoorbeeld bij de benen. Bij Apollo is dat een boomstammetje. Bij Augustus is het een Cupido op een dolfijn.

Die Cupido heeft ook een symbolische betekenis. Augustus beweerde namelijk af te stammen van Venus, de moeder van Cupido.

Vraag 9 – Apollo en Augustus vergelijken

Wat is een verschil in voorstelling en vormgeving tussen de Apollo van Belvedère en Augustus van Prima Porta?

A

Apollo stelt een Romeinse keizer voor en Augustus een Griekse god.

B

Beide beelden stellen goden voor en zijn op dezelfde manier geïdealiseerd.

C

Apollo toont een geïdealiseerde, naakte god; Augustus toont een herkenbare Romeinse keizer met borstplaat.

D

Apollo is een realistisch portret van een burger; Augustus is een volledig abstract beeld.

Bij deze opdracht moesten jullie zowel naar de voorstelling als naar de vormgeving kijken.

Apollo stelt een Griekse god voor, met een geïdealiseerd lichaam. Augustus stelt een specifieke Romeinse keizer voor. Hij is herkenbaar afgebeeld, onder andere door zijn borstplaat.

Dat verschil tussen een ideaalbeeld en een herkenbare persoon is belangrijk.

Vraag 10 – De klassieke bouworden

Waaraan herken je de Dorische, Ionische en Korinthische bouworden?

A

Dorisch heeft een eenvoudig kapiteel, Ionisch heeft voluten en Korinthisch heeft bladdecoraties.

B

Dorisch heeft bladdecoraties, Ionisch is eenvoudig en Korinthisch heeft voluten.

C

Dorisch heeft voluten, Ionisch heeft bladdecoraties en Korinthisch is eenvoudig.

D

De drie bouworden verschillen alleen in de hoogte van de zuilen.

De klassieke bouworden herken je vooral aan de kapitelen, de bovenkanten van de zuilen.

Dorisch is eenvoudig en stevig. Ionisch is slanker en heeft spiraalvormige versieringen, de voluten. Korinthisch herken je aan de bladdecoraties.

Kijk goed naar de afbeeldingen: kun je ze alle drie aanwijzen?

Vraag 11 – Parthenon en Colosseum

Hoe verschilt het gebruik van zuilen bij het Parthenon en het Colosseum?

A

Bij beide gebouwen zijn zuilen uitsluitend decoratief.

B

Bij het Parthenon zijn zuilen dragend; bij het Colosseum worden ze vooral decoratief gebruikt.

C

Bij het Parthenon zijn de muren dragend en bij het Colosseum de zuilen.

D

Het Colosseum gebruikt uitsluitend de Dorische bouworde.

Bij het Parthenon hebben de zuilen een dragende functie. Bij het Colosseum worden de muren en bogen gebruikt als dragende constructie. De zuilen en halfzuilen zijn daar vooral decoratief.

Bij het Colosseum zien we bovendien verschillende bouworden boven elkaar.

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 12 – Invloed van de klassieke oudheid

Op welke manieren heeft de klassieke oudheid de latere kunst beïnvloed?

A

Alleen de Griekse architectuur bleef van invloed.

B

Alleen de Romeinse beeldhouwkunst werd later opnieuw gebruikt.

C

De klassieke oudheid had na de vierde eeuw nauwelijks invloed meer.

D

De muziektheorie van Pythagoras, de Griekse tragedie en de klassieke architectuur en beeldhouwkunst bleven voorbeelden voor latere kunstenaars.

Bij deze opdracht moesten jullie twee voorbeelden geven van de invloed van de klassieke oudheid op latere kunst.

Denk aan de muziektheorie van Pythagoras, de regels van de Griekse tragedie en de klassieke architectuur en beeldhouwkunst.

Vooral in de renaissance en het classicisme grijpen kunstenaars opnieuw terug op deze voorbeelden.

Cultuur van de kerk: introductie

11e t/m 14e eeuw

  • De christelijke kerk heeft grote invloed op de samenleving.

  • Kunst staat vooral in dienst van het geloof.

  • Kloosters, kerken en kathedralen zijn belangrijke centra van kunst en kennis.

We gaan nu naar een heel andere periode. Bij de Grieken en Romeinen zagen we hoe kunst samenhing met religie, politiek en het dagelijks leven.

In de middeleeuwen speelt de christelijke kerk in West-Europa een centrale rol. Dat zien we terug in de kunst, maar ook in de manier waarop mensen leven en leren.

In dit hoofdstuk kijken we naar de cultuur van de kerk tussen de elfde en veertiende eeuw. Vandaag beginnen we met de kloosters.

Kloosters: geloof, kennis en arbeid

Kloosters

  • Benedictijnen leven volgens een kloosterregel.

  • Ora et labora: bidden en werken.

  • Monniken kopiëren handschriften en bewaren kennis.

  • Gregoriaanse zang hoort bij het religieuze leven.

Een klooster is niet alleen een plek waar monniken wonen en bidden. Kloosters zijn ook belangrijke centra voor onderwijs, landbouw en het bewaren van kennis.

De benedictijnen volgen een kloosterregel waarin gebed, arbeid en studie centraal staan. Dat wordt vaak samengevat als ora et labora: bid en werk.

Monniken schrijven boeken met de hand over, want een drukpers bestaat nog niet. Daardoor blijven teksten bewaard.

Ook muziek is belangrijk. De gregoriaanse zang is verbonden met de dagelijkse gebeden en de eredienst.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Luxe of sober?

Twee opvattingen over geloof en kunst

  • Sober: eenvoud, weinig versiering en aandacht voor het geestelijke leven.

  • Rijk versierd: schoonheid en kunst als eerbetoon aan God.

Niet iedereen binnen de kerk dacht hetzelfde over kunst en rijkdom.

Sommige kloosterorden vonden dat een religieus leven zo sober mogelijk moest zijn. Een eenvoudig gebouw zonder veel versiering hielp om de aandacht op God te richten.

Andere kloosters zagen schoonheid en kostbare kunst juist als een manier om God te eren.

Kijk naar deze twee afbeeldingen. Welke verschillen zien jullie in de vormgeving? En hoe passen die bij de verschillende opvattingen?

Oost en West

Culturele uitwisseling

  • Contact tussen christelijke en islamitische culturen.

  • Handel, kruistochten en kennisuitwisseling.

  • Invloeden zichtbaar in architectuur en decoratie.

De middeleeuwse wereld bestond natuurlijk niet alleen uit christelijk West-Europa.

Er was ook veel contact met de islamitische wereld, bijvoorbeeld via handel, kruistochten en het uitwisselen van kennis.

Die contacten hadden invloed op de kunst en architectuur. Kijk bijvoorbeeld naar de Mezquita in Córdoba, met haar kenmerkende bogen en decoraties.

Het is belangrijk om te onthouden dat culturen elkaar beïnvloeden. Kunst ontwikkelt zich niet los van de rest van de wereld.

Deze vragen heb ik nog

Deze slide heeft geen instructies

Hoe was deze les voor jou?

Deze slide heeft geen instructies