Les 8 M2A reserve NG les

Opstarten
Nederlands is mijn goedste vak
Dat had je niet gedenkt he?
Ik heb alles opgezoekt
en in mijn schrift geschrijft.
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Opstarten
Nederlands is mijn goedste vak
Dat had je niet gedenkt he?
Ik heb alles opgezoekt
en in mijn schrift geschrijft.

Slide 1 - Tekstslide

Regels tijdens de les 
  • Geen telefoons (behalve wanneer ik het zeg);
    ook niet op tafel = 17:00 ophalen.
  • Huiswerk af
  • Spullen bij
  • Geen brutaal gedrag
     = Verwijdering uit de les, e-mail naar ouders en nablijven

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
- Instructie 
- Aan het werk
- Evaluatie

Slide 3 - Tekstslide

LESDOEL

- Ik weet wat het naamwoordelijk gezegde is (NG)
   en hoe je het  NG moet vinden in een zin.


Slide 4 - Tekstslide

Het naamwoordelijk gezegde
  • Bestaat uit een werkwoordelijk deel en
     een naamwoordelijk   deel

  • Het werkwoordelijk deel bevat alle werkwoorden uit de zin.      Een van deze werkwoorden is een vorm van een         
      koppelwerkwoord.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Het naamwoordelijk gezegde 
Vind je het lastig om te bepalen of je te maken hebt met een naamwoordelijk gezegde, stel jezelf dan steeds drie vragen.
1. Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Nee-> ww.gez.
2. Is dat koppelwerkwoord ook het belangrijkste werkoord in de zin? ja-> ga door naar vraag 3. nee-> deze zin heeft een ww.gez.
3. Wordt er in de zin iets over het onderwerp gezegd?

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Het naamwoordelijk deel
Het naamwoordelijk deel (ND) van het naamwoordelijke gezegde (NG)
kan een zelfstandig naamwoord zijn.

Moniek is een pestkop.
ND = een pestkop

Het naamwoordelijk deel kan ook een bijvoeglijk naamwoord zijn.
Moniek is mooi.
ND = mooi


Slide 9 - Tekstslide

Kijk of er in de volgende zinnen sprake is van een naamwoordelijk gezegde (NG):

Mijn zusje | wil | schrijfster | worden.
persoonsvorm:        wil
onderwerp:               mijn zusje
alle werkwoorden: wil worden
Is één van de werkwoorden misschien een koppelwerkwoord? Ja, worden
Staat in de zin een zinsdeel met een naamwoord dat iets zegt over het onderwerp? Ja, schrijfster zegt iets over mijn zusje=schrijfster
Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde: wil schrijfster worden

Slide 10 - Tekstslide

Hoe zoek je het NG? 
1. Zoek de pv, ow en overige werkwoorden in de zin.
2. Stel de vraag die je ook stelt bij een lijdend voorwerp:
 Wat?+pv+ ow+ overige ww.
Het antwoord is het naamwoordelijk deel.
Check ook of er een koppelwerkwoord bij zit.
3. Noteer het nw.gez: pv+ naamwoordelijk deel+ overige ww.

Slide 11 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
In zinnen met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp!

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Opdracht
Maak opdracht 1 over het naamwoordelijk gezegde 
timer
3:00

Slide 14 - Tekstslide

Een naamwoordelijk gezegde bevat altijd een koppelwerkwoord
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quizvraag

Welk van de onderstaande woorden is geen koppelwerkwoord.
A
zijn
B
blijken
C
kijken
D
schijnen

Slide 16 - Quizvraag

Is het een werkwoordelijk (WG) of naamwoordelijk gezegde(NG)?
Hoe lang is hij al populair?
A
wg: is
B
ng: is
C
wg: is populair
D
ng: is populair

Slide 17 - Quizvraag

Welk woord is geen koppelwerkwoord?
A
Worden
B
Blijven
C
Lijken
D
Rijden

Slide 18 - Quizvraag

Een naamwoordelijk gezegde heeft altijd een lijdend voorwerp.
Juist of onjuist?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Mijn vriend wordt
leraar op een basisschool.

A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het gezegde?
Zijn vriend was gisteren ineens ziek geworden.
A
WG= was geworden
B
NG= was gisteren ziek geworden
C
NG= was ineens ziek geworden
D
NG= was ziek geworden

Slide 21 - Quizvraag

Mijn zus is vervelend geweest.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 22 - Quizvraag


De man is gisteren aangekomen op het station van Terborg

A
WG= is aangekomen
B
NG= is gisteren aangekomen
C
NG= is aangekomen

Slide 23 - Quizvraag

EXTRA: bijwoordelijke bepaling.
Je vindt bijwoordelijke bepalingen door vraagwoorden te gebruiken, zoals:
A
de, het, een
B
waar, wanneer, hoe, waarom, waarmee
C
ik, jij, zij, hem
D
wie, wat

Slide 24 - Quizvraag