naamwoordelijk gezegde en koppelwerkwoorden

Deze les
absenten (les via Teams)
hoe spel je....?
herhaling zinsontleding
naamwoordelijk gezegde
VZV en naamwoordelijk gezegde
huiswerk
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary Education

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Deze les
absenten (les via Teams)
hoe spel je....?
herhaling zinsontleding
naamwoordelijk gezegde
VZV en naamwoordelijk gezegde
huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

absenten

Slide 2 - Tekstslide

hoe spel je...
cafétje (ga op je tafel zitten)
cafeetje (ga NAAST je stoel staan)

Slide 3 - Tekstslide

cafeetje
Bij de verkleinvorm van woorden die op é eindigen, vervalt het accent en wordt de e verdubbeld: het is cafeetje, canapeetje, comiteetje, coupeetje en souffleetje. Ook schemaatje, autootje en accuutje zijn juist.

Slide 4 - Tekstslide

herhaling zinsontleding
De vakkenvuller van de Jumbo, verlangt naar een kleine pauze
WWG verlangt
OW De vakkenvuller van de Jumbo
LV -
MV -
VZV naar een kleine pauze
BWB - 
BVB kleine-> pauze/ van de Jumbo -> De vakkenvuller
bijstelling  met die rode krullen,

Slide 5 - Tekstslide

Verschil BWB en VZV
Een BWB begint ook vaak met een voorzetsel. Let daarom goed op. Het voorzetsel van een VZV is NIET te vervangen. Bij het BWB kan dit wel.

De pan staat op het vuur.
Ik streef naar een goed cijfer voor de toets.

Slide 6 - Tekstslide

huiswerk
Grammatica blok 3 opdracht 2, 4, 5, 6

Slide 7 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Koppelwerkwoorden
ZWaBBeLS

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

NWG
Bij een NWG is (of wordt/blijft) het onderwerp iets.

Bij een WWG doet het onderwerp iets.

Lennard bouwt een auto van Lego.
Lennard is erg creatief.

Slide 10 - Tekstslide

Het werkwoordelijk deel
Rosalie is vorige maand vijf geworden.

Wat is het werkwoordelijk deel?


Slide 11 - Tekstslide

Het naamwoordelijk deel
Rosalie is vorige maand vijf geworden.

Wat is het naamwoordelijk deel?

(wat is ze geworden?)


Slide 12 - Tekstslide

VZV i.c.m. NWG
Een LV en een MV kunnen nooit voorkomen in een zin met een NWG. Een VZV wel!

Onze buurvrouw is dol op Helene Fischer.
NWG=
OW=
LV=
MW=
BWB=
BVB=
bijstelling= 

Slide 13 - Tekstslide

VZV i.c.m. NWG
Een LV en een MV kunnen nooit voorkomen in een zin met een NWG. Een VZV wel!

Onze buurvrouw is dol op Helene Fischer.
NWG=is dol 
OW= Onze buurvrouw
LV= -
MW= -
VZV= op Helene Fischer
BWB= 
BVB= Onze -> buurvrouw
bijstelling=  -

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

lijdende en bedrijvende vorm
De ober mixt een drankje.
Het drankje wordt door de ober gemixt.

Doet het onderwerp iets? bedrijvende vorm
Wordt er iets met het onderwerp gedaan? lijdende vorm

Slide 16 - Tekstslide

oefenen
De salade wordt door de kok bereid.
De man wast zijn hond.
De hond wordt door zijn baasje uitgelaten.


Slide 17 - Tekstslide

tijden
Het eten wordt door de vader gekookt.
Het eten werd door de vader gekookt.
Het gerecht is door vader gekookt.
Het gerecht was door de vader gekookt.

bij onvoltooid een vorm van worden
bij voltooid een worm van zijn

Slide 18 - Tekstslide

herschrijven
Het eten wordt door de vader gekookt. ott
Het eten werd door de vader gekookt. ovt
Het gerecht is door vader gekookt. vtt
Het gerecht was door de vader gekookt. vvt

probeer lijdende zinnen te vermijden. Dit leest niet fijn.
Vader kookt het eten. 
Vader kookte het eten.
Vader heeft het eten gekookt.
Vader had het eten gekookt.

Slide 19 - Tekstslide

huiswerk
Grammatica blok 3 opdracht 1, 3, 8

Als je klaar bent, ga je oefenen op cambiumned.nl
Niet een spelletje doen!

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

deze les
Absenten
Hoe schrijf je...
Woordsoortbenoeming
huiswerk

Slide 22 - Tekstslide

absenten

Slide 23 - Tekstslide

hoe spel je...
websiteje (ga op je tafel zitten)
 websitetje (ga naast je stoel staan)

Slide 24 - Tekstslide

De juiste vorm is websiteje. Daarmee sluiten we het dichtst aan bij de uitspraak. In de uitspraak eindigt website op een t: [wepsait]. Daarachter plaatsen we de uitgang -je (vergelijk geit - geitje). Als we niet de uitspraak maar de spelling als uitgangspunt zouden nemen, zou websitetje logischer zijn. Na woorden op een klinker volgt immers de verkleinuitgang -tje (antennetje, façadetje, anekdotetje). Maar websitetje leidt tot een verkeerde uitspraak.

Slide 25 - Tekstslide

betrekkelijk voornaamwoord
De glazen fles, die op het aanrecht staat, is leeg.


Slide 26 - Tekstslide

antecedent 'wat'
Het mooiste wat ik kon vinden heb ik voor jou gekocht. (overtreffente trap)
Alles wat ik wilde hebben, heb ik gekregen. (iets vaags, alles)
Binnenkort gaan we naar de Efteling, wat ik erg leuk vind. (hele zin)


Slide 27 - Tekstslide

aanwijzend voornaamwoord
Deze fles moet naar de glasbak gebracht worden.

Slide 28 - Tekstslide

onbepaald voornaamwoord
Iemand moet nu naar de glasbak, maar ik doe het niet!

Het is niet duidelijk wie precies. Iemand is onbepaald.

Slide 29 - Tekstslide

telwoorden
Hoofdtelwoorden
bepaald: twee, drie miljoen, vijftig, een derde
onbepaald: alle, sommige, wat

rangtelwoorden
bepaald: eerste, vijfde, duizendste
onbepaald: zoveelste, middelste...

Slide 30 - Tekstslide

huiswerk
9, 10, 12, 13

Slide 31 - Tekstslide