week 1 les 2 à + le

Unité 4 - Santé
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Unité 4 - Santé

Slide 1 - Tekstslide

  • apprendre des mots / grammaire
  • écouter
  • parler
Le but: à la fin de ce cours:
  • kan ik aangeven waar ik pijn heb als ik bij de dokter kom
  • heb ik geoefend met praten in het Frans met de juiste uitspraak.

Slide 2 - Tekstslide

Santé

Slide 3 - Woordweb

Slide 4 - Video

Slide 5 - Tekstslide

Aïe, j'ai mal!

Slide 6 - Tekstslide

Avoir mal à - pijn hebben aan

Ik heb pijn aan ....

Hij heeft pijn aan ......


In je schrift/blz 40: schrijf vervoeging avoir op tegenwoordige tijd

Slide 7 - Tekstslide

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal à
la tête
la jambe
la main
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 8 - Tekstslide

Apprendre 1 - page 36
la prononciation


Daarna: quizzz dus let goed op!

Slide 9 - Tekstslide

Le corps
La tête
La main
Le bras
La jambe
le pied
Le ventre

Slide 10 - Sleepvraag


A
l' œil
B
l'oreille
C
le nez
D
la bouche

Slide 11 - Quizvraag


A
l'oreille
B
la jambe
C
le bras
D
le dos

Slide 12 - Quizvraag


A
l'orteil
B
l'oreille
C
les yeux
D
le nez

Slide 13 - Quizvraag


A
à ventre
B
au ventre
C
à la genou
D
au genou

Slide 14 - Quizvraag

au , à la, à l', aux
à le     =  au        j'ai mal au doigt ( ik heb pijn aan de/mijn) vinger
à la     =  à la      j'ai mal à la tête (ik heb hoofdpijn)
à l'       =  à l'       j'ai mal à l'oreille (ik heb pijn aan het /mijn oor)
à les   =  aux     j'ai mal aux oreilles (ik heb pijn aan de/mijn oren)
apprendre 10 blz 40

Slide 15 - Tekstslide

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal au
mal à la
mal à l'
mal aux
doigt
tête
l'oreille
oreilles
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 16 - Tekstslide

J'ai mal ... jambe (v).
A
à le
B
à la
C
aux
D
à l'

Slide 17 - Quizvraag

Elle a mal ...
A
à les épaule
B
au épaule
C
à la épaule
D
à l'épaule

Slide 18 - Quizvraag

Ils ont mal ... genoux (mv).
A
à les
B
aux

Slide 19 - Quizvraag

Uitspraaktips
  • Overdrijf, parle français
  • Spreek de laatste letter niet uit (maar je zegt wel j'ai mallll)
  • Plak woorden aan elkaar (j'ai mal aux oreilles)...

j'ai
spreek je uit als
zjee 
au/aux
spreek je uit als 
oo
que/qu'
spreek je uit als 
kuh

Slide 20 - Tekstslide

Écrire et parler
Tu as mal où? Vous avez mal où?

Wat: geef antwoord  Maak meerdere zinnen 
Hoe: in je schrift / op blz 40 in je boek
Hulp: apprendre 1 blz 36 en apprendre 10 blz 40
Tijd: 2 minuten
timer
5:00
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 21 - Tekstslide

Parler
Tu as mal où? Vous avez mal où?

Slide 22 - Tekstslide

Tu comprends?
  • Ik heb hoofdpijn - j'ai mal à la tête
  • Ik heb buikpijn - j'ai mal au ventre
  • Ik heb pijn aan de arm -  j'ai mal au bras
  • ik heb oorpijn - j'ai mal aux oreilles

Slide 23 - Tekstslide

Les devoirs
Maken exercice 3 blz 11

Leren apprendre 1 blz 36

Slide 24 - Tekstslide

BUTS
- je kunt een gesprek over gezondheid begrijpen
- je kent woorden die te maken hebben met gezondheid
- je weet hoe je woorden leert met behulp van kaartjes

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

Les parties du corps 

Slide 27 - Tekstslide


A
Tu as la gorge rouge.
B
Bouge la jambe.
C
Tu as de la fièvre?
D
Tu as le bras cassé.

Slide 28 - Quizvraag