B4 Transplantatie en bloedtransfusie

B4 Transplantatie en bloedtransfusie
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

B4 Transplantatie en bloedtransfusie

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel

- Je kunt beschrijven welke problemen door antigenen kunnen ontstaan bij transplantaties en bloedtransfusies.

Slide 2 - Tekstslide

leerdoelen 1:

transplantaties

- Je weet hoe een orgaantransplantatie verloopt

- Je weet hoe afstotingsreacties ontstaan en hoe ze voorkomen worden




Slide 3 - Tekstslide

Hoeveel mensen gaan er in Nederland elk jaar dood op de wachtlijst voor een orgaan?

Slide 4 - Open vraag

Welk percentage van de familie weigert een postmortaal donatieverzoek van het ziekenhuis na het overlijden van hun familielid? (Beslissing patiënt onbekend)

Slide 5 - Open vraag

Welk percentage van de familie weigert een postmortaal donatieverzoek van het ziekenhuis na het overlijden van hun familielid? (Patiënt is geregistreerd donor)

Slide 6 - Open vraag

De nieuwe donorwet
Op 1 juli 2020 is de nieuwe donorwet in werking getreden.
'Nee, tenzij' is 'Ja, mits' geworden.

Slide 7 - Tekstslide

afstotingsreacties
Menselijke cellen hebben ook antigenen.                              (= het HLA-systeem)
Hierdoor kunnen jouw lymfocyten je lichaamseigen cellen onderscheiden van lichaamsvreemde cellen (van het donororgaan). 

T-cellen: vernietigen de cellen van het donororgaan
B-cellen: acute afstoting door gevormde antistoffen
Medicijnen: onderdrukken de afstotingsreactie

Slide 8 - Tekstslide

Wat is HLA?
Het HLA zijn de antigenen op lichaamscellen van mensen.

Welk type HLA je hebt is erfelijk bepaald. 
Familieleden hebben dus vaak overeenkomsten.

Slide 9 - Tekstslide

Wat is HLA?
De paarse cel is een B-lymfocyt of B-cel die antistoffen maakt tegen de antigenen op een lichaamsvreemde cel (van een donororgaan).

Dit is wat er gebeurt bij acute afstoting, dit gebeurt gelukkig niet vaak.

Slide 10 - Tekstslide

HLA/MHC-matching
Als er een orgaantransplantatie noodzakelijk is wordt er naar veel meer gekeken dan alleen naar de bloedgroep. Er zijn ontzettend veel verschillende eiwitten aan het oppervlak van cellen die allemaal anders kunnen zijn.
Het uitgangspunt is ALLE eiwitten moeten lichaamsEIGEN zijn als er geen reactie van het immuunsysteem gewenst is.
Alle eiwitten die hierin een rol spelen worden HLA eiwitten genoemd.

Slide 11 - Tekstslide

leerdoelen 2:

Rhesusfactor:

- Je weet wat de resusfactor is.

- Je weet wat antiresus is en wanneer het gevormd wordt.

- Je kunt uitleggen welke problemen er kunnen ontstaan bij een resusnegatieve moeder die zwanger is van een resuspositief kind.



Slide 12 - Tekstslide

Resusfactor - ontdekt bij apen
Tekst

Slide 13 - Tekstslide

Resusfactor
Mensen met Rh- hebben geen resusantigeen, maar ook geen antistoffen tegen het resusantigeen.
Bij zwangerschappen kan de resusfactor voor problemen zorgen.
Na een zwangerschap van een Rh+ kind gaat de Rh- moeder antistoffen en geheugencellen maken.

2e kindje is ook Rh+ = Resuskindje:
Krijgt te weinig zuurstof door afbraak van rode bloedcellen door antistoffen van de moeder
Gevolg: Hersenbeschadiging of overlijden

Slide 14 - Tekstslide

Resusbaby
  • Een resusnegatieve moeder kan in verwachting zijn van een resuspositief kind.
  • Bij de eerste zwangerschap levert dat geen problemen op.
  • Bij bevalling: contact tussen bloed moeder en kind -> moeder maakt anti-resus en geheugencellen.
  • Bij tweede zwangerschap: anti-resus door placenta naar foetus -> bloedafbraak bij het kindje.
Resusfactor
In deze afbeelding is te zien wat er gebeurt als een vrouw in verwachting is van een resuspositief kindje.

Slide 15 - Tekstslide

resusfactor kan gevaarlijk zijn tijdens zwangerschappen
dit kan voorkomen worden door de moeder kunstmatig passief te vaccineren met resus-antistoffen
(dan maakt de moeder zelf geen geheugencellen aan)

Slide 16 - Tekstslide

Iemand heeft resus-positief (Rh+) bloed.
Welk antigeen heeft hij op de buitenkant van zijn rode bloedcellen?
Kan hij resus-antistof maken?

Slide 17 - Open vraag

Een resusbaby ontstaat als de moeder Rh- is en na een besmetting (bv. bij een eerdere bevalling) resusantistoffen heeft gemaakt. Deze antistoffen komen in het bloed van een volgend kind dat Rh+ is. De antistoffen breken het bloed van het kind af. Op welke manier kan antistofvorming door de moeder, direct na de geboorte, worden tegen gegaan?

Slide 18 - Open vraag

leerdoelen 3:

Bloedgroepen:

- Je kunt de verschillende bloedgroepen en hun kenmerken benoemen

- Je kunt een bloedgroepbepaling uitvoeren


Bloedtransfusie:

- Je kunt bepalen bij welke bloedgroepen al dan niet een bloedtransfusie mogelijk is

- Je kunt uitleggen welke bloedgroep de universele donor en welke de universele acceptor is


Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Verdeling bloedgroepen

Slide 24 - Tekstslide

Bloedgroepen

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

ABO systeem- agglutinatie

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Leerdoelen
In hoeverre heb je het onderstaande leerdoelen behaald?
- Je kunt beschrijven welke problemen door antigenen kunnen ontstaan bij transplantaties en bloedtransfusies.

Slide 33 - Tekstslide

Aan de slag
Maken opdracht 52 t/m 63
en begrippenlijst

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Video

Slide 36 - Video