3 havo voorbereiding proefwerk blok 4

Proefwerk blok 4
Maandag 23 mei

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
Other languagesSecondary Education

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Proefwerk blok 4
Maandag 23 mei

Slide 1 - Tekstslide

Wat moet je leren?
Fictie: spanning, ruimte en rijm in gedichten
Grammatica: beknopte bijzin, verkeerd aansluitende beknopte bijzin
Spelling: los of aaneenschrijven, tussenletters in samenstellingen
Over Taal: opdracht 1 (woordjes), stijlfouten, leenwoorden en ethymologie

Slide 2 - Tekstslide

Fictie: spanning
Elk verhaal heeft spanning. Alles wat je nieuwsgierig maakt naar de afloop van het verhaal heeft met spanning te maken. Het kan zijn dat jij zelf een verhaal niet heel spannend vindt. Misschien ken je de afloop al, of het verhaal boeit jou persoonlijk niet zo. Toch heeft de schrijver van elk boek een bepaalde techniek gebruikt om het verhaal spannend te maken. 

Slide 3 - Tekstslide

technieken: gebeurtenissen
  • Een gevaarlijke situatie of gevaarlijke omgeving;
  • Een onverwachte wending;
  • Een cliffhanger.

Slide 4 - Tekstslide

technieken: opbouw
  • Open plekken: vragen die het verhaal bij je oproept;
  • vermoedens worden bij de lezer opgewekt;
  • Uitstel: de ontknoping laat op zich wachten;
  • informatievoorsprong; de lezer weet meer dan de hoofdpersoon. 

Slide 5 - Tekstslide

setting: tijd en ruimte
Tijd: 
  • wordt letterlijk genoemd (jaartal is ook belangrijk!);
  • historische gebeurtenissen of figuren;
  • beschrijven van gebouwen, gebeurtenissen, gebruiken, voorwerpen.

Fantasy heeft meestal geen tijd zoals wij kennen

Slide 6 - Tekstslide

setting: tijd en ruimte
Ruimte: geeft aan waar het verhaal zich afspeelt. Als je zelf een ruimte moet beschrijven, moet je dit heel precies doen. 

De setting roept een bepaalde sfeer op

Slide 7 - Tekstslide

Opdracht rijm:
Neem blz. 154/155 voor je;
Maak zelf voorbeelden van de verschillende soorten rijm:
binnenrijm
eindrijm

volrijm
halfrijm: assonatie, alliteratie

Slide 8 - Tekstslide

rijmschema (bij eindrijm)
gepaard rijm aabb
gekruist rijm abab
omarmend rijm abba
slagrijm aaaa
gebroken rijm abcb, rijmschema wordt niet volledig gebruikt

Slide 9 - Tekstslide

soort rijm?
Ik denk niet vaak
Ik denk niet gauw
Maar als ik denk
Denk ik aan jou

Slide 10 - Tekstslide

beknopte bijzin
In een beknopte bijzin mist een OW en PV
er zin wel een:
  • VD
  • OD 
  • vorm van te + infinitief in

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld:
Zwetend liepen de sporters over de finish.

Wat is de complete bijzin? TiP: gebruik terwijl of nadat als eerste woord. 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

oefenen:
Lees de zin en schrijf op A of B

Slide 14 - Tekstslide

Spelling: los of aaneen?
Vuistregel: bij twijfel, aaneen!

Slide 15 - Tekstslide

De belangrijkste regels
samenstellingen met zelfstandige naamwoorden aaneen. 

fietsventieldopjesfabrikant

Als er in de samenstelling een eigennaam zit, wel een spatie tussen de eigennaam. Frans Bauerfan

Slide 16 - Tekstslide

De belangrijkste regels
samengestelde bijvoeglijke naamwoorden aaneen

beresterk
veeleisend

Slide 17 - Tekstslide

De belangrijkste regels
Veel werkwoorden aaneen, maar hier zijn geen harde regels voor. 

Komt een combinatie van woorden niet heel vaak voor, dan schrijf je ze los.

Slide 18 - Tekstslide

De belangrijkste regels
combinaties van bijwoord/voorzetsel (voornaamwoordelijke bijwoorden) aan elkaar

erop
ernaast
daardoor
voordat    

Slide 19 - Tekstslide

tussenletters in samenstellingen
dorpsstraat of dorpstraat?

zonnescherm of zonnenscherm?


Slide 20 - Tekstslide

Pleonasme
Het natte water

Water is altijd nat, dus dit is een pleonasme

Slide 21 - Tekstslide

Tautologie
Wij blijven altijd en eeuwig bij elkaar

Slide 22 - Tekstslide

Stijlfiguren
Tautologie en pleonasme zijn stijlfiguren als ze bewust gebruikt worden door een schrijver op iets op een bijzondere of mooie manier te zeggen. 

Slide 23 - Tekstslide

Stijlfout
Als een pleonasme verkeerd of onbewust gebruikt wordt (dus niet om een tekst mooier te maken) dan is het een stijlfout

Ik kan het bord haast bijna niet lezen.
De docente heeft toestemming gegeven om naar de wc te mogen gaan.

Slide 24 - Tekstslide

leenwoorden
Woorden die uit een andere taal zijn overgenomen

Slide 25 - Tekstslide

pseudoleenwoorden
lijken uit een andere taal te komen, maar bestaan in de betreffende taal niet.

logé, tanken...

Slide 26 - Tekstslide

Taalpuristen
Proberen leenwoorden uit een taal te houden. Dit lukt natuurlijk niet altijd. Vaak worden de nieuwe woorden dan vervangen door Nederlandse woorden. keyboard - toetsenbord

Vlamingen zijn hier vaak iets strikter, vooral als het om woorden uit het Frans gaat duimspijker

Slide 27 - Tekstslide

etymologie
studie die de herkomst van woorden en uitdrukkingen probeert te achterhalen. Dit is in (online-)woordenboeken op te zoeken 

Slide 28 - Tekstslide