Bijeenkomst 2 woordenschat

taaldidactiek bijeenkomst 2
woordenschat
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
CommunicatieHBOStudiejaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

taaldidactiek bijeenkomst 2
woordenschat

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat vragen vooraf
  • Hoeveel woorden moet je (her)kennen om een tekst te begrijpen? (...%)
  • Hoeveel keer moet je een woord "ontmoeten" om het in je geheugen op te slaan? (...x)
  • Iemands receptieve woordenschat is meestal groter dan de  productieve woordenschat. Hoeveel keer groter? (...x)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3 antwoorden: ....% woorden nodig voor tekstbegrip,
....X woorden "ontmoeten"om te onthouden,
...x groter is rec. voc. dan de prod. voc?

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

n = niveau
n-1 = iets onder niveau
n+1 = iets boven niveau

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderzoek K. Vernooy (2011)
Falen bij begrijpend lezen heeft vooral te maken met het feit dat leerlingen falen om nieuwe woorden te leren. Een geringe woordenschat leidt tot vermijdingsgedrag bij lezen! Vooral voor kinderen met een beperkte woordenschat geldt het zogenaamde Matteüseffect. De kinderen die goed kunnen lezen en die een goede woordenschat hebben, lezen meer, leren meer woorden kennen en gaan steeds beter lezen (Stanovich 1986, 2001). Biemiller (2003) laat dan ook zien, dat er een zeer hoge correlatie,
n.l. .91, bestaat tussen woordenschat en begrijpend lezen.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhalen, herhalen, herhalen
  • toetsen alleen is niet voldoende (toetsen = 1 x ontmoeten?)
  • denk aan de 4+1+1+1 regel (interval training)
  • 1 keer = geen keer
  • less is more?
  • tijd besteden aan toetsen of aan oefenen?
  • rol van de docent: Hoe is jouw taalgebruik jij in de klas?

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

receptief - productief
Moedertaal sprekers: volwassen met redelijk opleidingsniveau:
  • receptieve woordenschat: 50.000-70.000
  • productieve woordenschat: 30.000-40.000
Verhouding rec.-prod.: 100 - 60? Kwakernaak: 100-10?
Belangrijk: meer woorden herkennen (want geen invloed) en minder woorden actief hoeven kennen (want zelf kiezen)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woordenschat in het leerproces
A
nieuwe woorden ontmoeten en herkennen (in context)
Incidenteel leren (tekstbegrip)
Intentioneel leren (detail vragen/weergeven)
B

nieuwe woorden oefenen
herkennen; receptief; 
kunnen gebruiken (re-)productief
schriftelijk / mondeling?
C
nieuwe (gegeven) woorden oefenen (gestuurd/geleid)
in gestuurde opdrachten geoefende woorden gebruiken.
D
communiceren met de nieuwe woorden en/of "eigen" woorden
In vrijere opdracht geoefende woorden (of andere woorden) gebruiken.
keuze docent: welke woorden zijn nodig voor C/D en moeten productief geoefend?

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer ken je een woord?

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Kwakernaak, blz. 295

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel procent van de woorden in een tekst moet je kennen om de tekst te kunnen begrijpen?
A
87 - 90%
B
90 -94%
C
93 - 96%
D
95 - 98%

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Woordenkennis
Het begrip ‘tekstdekking’ speelt een belangrijke rol in het wel of niet begrijpen van een tekst. Bij een tekstdekking van 80% wordt de tekst slecht begrepen, zelfs de strekking van de tekst blijft onduidelijk voor de leerling. Bij 85% tekstdekking is er sprake van ‘globaal begrip’, bij 90% is er sprake van ‘redelijk begrip’ en pas bij 95% tekstdekking kan een leerling de tekst goed begrijpen én wordt er nog enige cognitieve inspanning verwacht. Dit houdt in dat wanneer er meer dan 5 nieuwe woorden per 100 woorden in een tekst voorkomen, de tekst in principe ongeschikt is voor het bevorderen van de leesvaardigheid. Dat betekent dat uitgaande van een minimum van 95% tekstdekking, een woordenschat van minimaal 5000 woorden is vereist voor het probleemloos lezen van authentieke alledaagse teksten (Appel en Vermeer 2004; Bossers 1996).

136 woorden; 5 lastige begrippen: begrijpelijke tekst

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

woordenkennis
Een functionele evaluatie van de motorische eindplaat (NMJ) kan inzicht verschaffen betreffende essentiële informatie over de communicatie tussen spieren en zenuwen. Hier beschrijven we een uitvoerig  protocol voor het evalueren van zowel de spier als de NMJ functionaliteit met behulp van twee verschillende spier-zenuwpreparaten, d.w.z. soleus-ischialgie en membraan-phrenic.

46 woorden; ongeveer 8 lastige woorden of woordcombinaties: bij een woordenkennis van ca 80% begrijp je weinig van een tekst

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3 antwoorden: ....% woorden nodig voor tekstbegrip,
....X woorden "ontmoeten"om te onthouden,
...x groter is rec. voc. dan de prod. voc?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

op welke manier wordt hier de woordenschat geoefend?
A
receptief zonder context
B
receptief met context
C
productief zonder context
D
productief met context

Slide 16 - Quizvraag

NB: de woorden staan in een zin (dus context?) maar de meeste zinnen in deze oefening geven geen pregnante context = een context waarin de betekenis van het gegeven woord echt duidelijk wordt. In vrijwel elke zin passen beide vertalingen (behalve de laatste?)
Even zelf oefenen....

Slide 17 - Tekstslide

deze woorden kun je gebruiken om woorden bingo te spelen.
Woorden leren?
Woordenlijsten: let op:
  • hoog-laag frequente woorden
  • concrete en abstracte woorden
  • 1-op-1 "vertaling" 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

welk woord is bijv. hoog frequent en abstract?

Slide 19 - Tekstslide

het woord "enough"? 
geef een voorbeeld van een hoog frequent, abstract woord waar jouw leerling moeite mee hebben.

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Casus 
Dieter geeft Duits aan een VMBO TL-3 klas. Na ieder hoofdstuk in de methode maken de leerlingen een toets waarin hun woordenschat wordt getoetst; zowel receptief als productief.
Hoewel de meeste leerlingen een voldoende halen merkt Dieter dat ze de geleerde woorden niet meer kunnen gebruiken na een tijd.
Wat zou je Dieter adviseren?
(voorbeeld voor tentamen)

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geef 1 tip aan deze docent

Slide 22 - Open vraag

tips: vaker woorden herhalen/oefenen, Keuzes maken welke woorden rec en welke prod , woorden in verschillende contexten laten gebruiken