H2 Het Weer 3k

H2 Het Weer

Paragraaf 1

Het deeltjesmodel


1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

H2 Het Weer

Paragraaf 1

Het deeltjesmodel


Leerdoelen


Weersverschijnselen

  • Op een zomerochtend wolkjes aan de lucht die 's avonds verdwijnen.

  • Na een koude nacht dauw op het gras. Dit verdwijnt rond de middag.

  • Op een herfstdag ontstaat mist. Dit verdwijnt zodra de zon doorbreekt.*

Dauw


Mist


De moleculen van een stof

  • Deeltjesmodel

  • Stoffen bestaan uit hele kleine deeltjes:
    Moleculen

    • Moleculen van een stof veranderen niet
      bij faseverandering.

    • Moleculen bewegen voortdurend.

  • Hoe warmer hoe sneller.

    • Ze trekken elkaar aan.

  • Dichter bij elkaar → meer aantrekking.


Faseovergangen en het weer


  • Lucht is een mengsel van gassen.

  • Waaronder watermoleculen (waterdamp).

  • Als temperatuur daalt worden dit kleine waterdruppels.

  • Deze kleine waterdruppels zie je als mist of dauw.

  • Als de temperatuur onder 0 graden valt krijg je
    iets anders.

  • Dan krijg je rijp*




Leerdoelen


Lesstof lezen en opdrachten maken

  • Maak HW paragraaf 1, alle opdrachten!

H2 Het Weer

Paragraaf 2

Luchtdruk


Leerdoelen



Luchtdruk meten

  • Boven je, zit lucht

  • Des te hoger in de lucht des te minder
    luchtdruk

  • Dit drukt op je → Luchtdruk

  • Meten met (metaal)barometer

  • Grootheid is Luchtdruk en eenheid
    in millibar (mbar)

  • Natuurkundig eenheid is Pascal (Pa)

  • 1 bar = 1000 mbar = 100.000 Pa

  • dus 1 mbar = 100 Pa*

Text

Luchtdruk

  • De luchtdruk verandert

  • Normaal tussen 970 en 1040 mbar

  • Is dit lager dan heb je een lagedrukgebied → slechter weer

  • Is dit hoger dan heb je een hogedrukgebied → beter weer

    Op deze manier kan je dus controleren of het weer beter of slechter wordt.


Luchtdruk en hoogte

  • Van luchtdruk merk je weinig.

  • Holle ruimtes lichaam gevuld met lucht.

  • Meestal is de druk buiten hetzelfde als binnen het lichaam

  • Alleen bij snelle stijging of daling merk je hier iets van.

  • Luchtdruk neemt af met hoogte.

  • Barometer kan dus gebruikt worden als hoogtemeter.


De druk in een ruimte

  • Als je lucht in een ruimte
    pompt wordt de druk hoger.

  • Moleculen botsen tegen de
    wanden → gasdruk


Overdruk meten

  • Druk in een fietsband is noem je overdruk.

  • Verschil tussen luchtdruk binnen en buiten de band.

  • Absolute druk

  • Absolute druk = Luchtdruk + Overdruk

  • Dit wordt gemeten met een manometer


Leerdoelen


  • Herhalen paragraaf 1

Lesstof lezen en opdrachten maken


  • Paragraaf 2 alle opdrachten

H2 Het Weer

Paragraaf 3

Temperatuur


Temperatuur meten

  • Thermometer

  • Vloeistofthermometer

  • Temperatuur stijgt → vloeistof zet uit.

  • Thermometer ijken (het maken van
    de schaalverdeling)

Andere soorten thermometers

  • Bimetaal (2 strips van verschillende
    metalen die aan elkaar zijn verbonden.)

  • Metalen zetten verschillend uit

  • Hierdoor gaat het bimetaal krommen.

  • Elektronische thermometer

  • Elektrische schakeling

  • Signaal omgezet naar temperatuur


Gasdruk en temperatuur

  • Temperatuur heeft invloed op gasdruk.

  • Warmere temperatuur betekend dat deeltjes
    meer bewegen.

  • Hierdoor botsen ze sneller en vaker tegen
    de wanden.

  • Gasdruk neemt hierdoor toe.

  • Denk aan de Phet simulatie.


Het Absolute nulpunt

  • De laagste mogelijke temperatuur

  • -273 graden celcius (˚C)

  • Dit noemen we het absolute nulpunt

  • Moleculen bewegen niet meer.

  • Gasdruk is dan dus....

  • nul

  • Alleen in laboratoria


De kelvinschaal

  • Gebruikt bij natuurkunde

  • De kelvinschaal heeft een ander nulpunt

  • Het absolute nulpunt is hier 0 graden kelvin (K) dat is dus -273 graden Celsius.

  • Het omrekenen van graden celcius en graden kelvin:

  • Graden Celcius → +273 → Graden Kelvin

  • Graden kelvin → -273 → Graden Celcius


Dus:

  • 0 °C= 273 °K, 20 °C = 20 + 273 = 293 °K

  • 273 °K = 0 °C, 310 °K = 310 - 273 = 37 °C

Leerdoelen



Lesstof lezen en opdrachten maken

Huiswerk is alle opdrachten van paragraaf 3

H2 Het Weer

Paragraaf 4

Wolken en onweer


Het Dauwpunt

  • Lucht kan waterdamp bevatten

  • Hoe hoger de temperatuur van de lucht des te meer waterdamp de lucht kan opnemen.

  • Als de lucht afkoelt gaat de waterdamp condenseren → dauwpunt

  • Minder waterdamp → lager dauwpunt

  • Voorbeeld onderste grafiek*

Het ontstaan van stapelwolken

  • Zon warmt aardoppervlak op.

  • Warmere grond → Warmere lucht

  • Warme lucht zet uit en gaat hierdoor stijgen.

  • De stijgende lucht koelt af.

  • Dauwpunt → water condenseert

  • Water is zichtbaar-> stapelwolk onstaan

  • Onderkant wolk vlak → Condensatieniveau

  • Toppen wolk → Hoe hoog de warme lucht gestegen is.*

Mooiweerwolken en buienwolken


Klein temperatuur verschil

Stijgt minder hoog

Rustige luchtstroom

Kleinere wolken

Groot temperatuur verschil

Stijgt hoog

Onrustige luchtstroom
Grotere wolken

Donkere onderkant

Neerslag

  • Boven in de wolk vormen ijskristallen

  • Als deze te zwaar worden vallen ze naar beneden

  • Tijdens het vallen smelten ze en krijg je regen

  • Is de luchttemperatuur lager dan 0 °C dan krijg je geen regen

  • Sneeuw of hagel*

Onweer

  • Warme lucht stijgt snel op.

  • Onweerswolken die meer dan 10km hoog kunnen worden

  • Lucht is snel in beweging

  • Hagel en regen vallen naar beneden en botsen.

  • Elektrisch geladen met een spanning van honderden miljoenen volt.

  • Dit zorgt voor een enorme vonk → Bliksemstraal

  • Temperatuur tot 30.000 °C

  • De lucht zet kort uit door de grote temperatuur.

  • Hierdoor ontstaat een geluidsgolf → Donder *

Leerdoelen



Lezen en maken met potlood

  • Paragraaf 1:

  • BLZ: 74-82

  • Opdracht: 1 t/m 11


  • Paragraaf 2:

  • BLZ: 84 t/m 92

  • Opdracht: 1 t/m 12


  • Paragraaf 3:

  • BLZ: 94 t/m 103

  • Opdracht: 1 t/m 14


  • Paragraaf 4:

  • BLZ: 105 t/m 112

  • Opdracht: 1 t/m 12

Alles Af?
Laten zien!
Nakijken!