3 Days of the week, aanwijzende woorden

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Days of the week

Slide 2 - Tekstslide

  • Monday
  • Tuesday
  • Wednesday
  • Thursday
  • Friday
  • Saturday
  • Sunday 
Days of the week

Slide 3 - Tekstslide

Schrijf de dag van de week:
Today is ...... . Yesterday was ......... .

Slide 4 - Open vraag

Schrijf de dag van de week:
Tomorrow is ......... .

Slide 5 - Open vraag

Schrijf de dag van de week:
The days of the weekend are .... and .... .

Slide 6 - Open vraag

Schrijf de dag van de week:
....... spreek je uit als Wenzdé.

Slide 7 - Open vraag

Dit Dat
Deze Die

Slide 8 - Tekstslide

Demonstrative pronouns
Aanwijzende voornaamwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

die mensen= .........people
A
these
B
those
C
this
D
that

Slide 11 - Quizvraag

deze tafel = ......... table
A
these
B
those
C
this
D
that

Slide 12 - Quizvraag

dat huis = ........ house
A
these
B
those
C
this
D
that

Slide 13 - Quizvraag

(dichtbij) ____ dress
A
this
B
that
C
these
D
those

Slide 14 - Quizvraag

Use: this, these, that, those:

I want .... books over there.
A
this
B
these
C
that
D
those

Slide 15 - Quizvraag

this, that, these, those

... colours look beautiful on you!
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 16 - Quizvraag

.... is your pen over there on the desk.
.... is my pen here
A
This, This
B
That, That
C
This, That
D
That, This

Slide 17 - Quizvraag

... balloons here are nicer than .....ones over there.
A
Those, these
B
These, those
C
This, that
D
That, this

Slide 18 - Quizvraag

Use: this, these, that, those:

I want .... books over there.
A
this
B
these
C
that
D
those

Slide 19 - Quizvraag

Wat zijn rangtelwoorden?
(Ordinals)

Slide 20 - Woordweb

1 >< 20
Hoe maak je een rangtelwoord?
Bij de meeste rangtelwoorden wordt er +th achter het gewone telwoord gezet:                                                                                               four - fourth - 4th               seven - seventh - 7th
     nine - ninth - 9th                 eleven - eleventh - 11th 
Bij eerste, tweede en derde is dat niet het geval:
one - first - 1st        two - second - 2nd        three - third - 3rd

Slide 21 - Tekstslide

>20-30-40-50 and so on!
20th = twentieth
30th = thirtieth
40th = fortieth
50th = fiftieth
60th = sixtieth

Rule: -y + ieth

Slide 22 - Tekstslide

'Between tens'
21th = twenty-first
22nd = twenty-second
23rd = twenty-third
81 = eighty-first

Rule: cardinal + verbindingsstreepje (-) + ordinal
                  (hoofdtelwoord)                                         (rangtelwoord)

Slide 23 - Tekstslide

Fill in the correct ordinal
23th

Slide 24 - Open vraag

Fill in the correct ordinal
76th

Slide 25 - Open vraag

Fill in the correct ordinal
100th

Slide 26 - Open vraag

Fill in the correct ordinal
5th

Slide 27 - Open vraag

Fill in the correct ordinal
12th

Slide 28 - Open vraag

Fill in the correct ordinal
16th

Slide 29 - Open vraag

Heb je nog vragen?
A
Ja
B
Nee

Slide 30 - Quizvraag