Grammatik naamvallen

Grammatik naamvallen
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsTertiary Education

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Grammatik naamvallen

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Ontleden ja/nee?
Om te bepalen welke naamval je voor een zinsdeel moet gebruiken: 

stap 1: Zoek naar een voorzetsel in het zinsdeel (dit heb jij gedaan!) 
stap 2:  Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin: je zoekt onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp.

Slide 3 - Tekstslide

Op deuntje van vader Jacob:
aus bei mit nach
aus bei mit nach
Seit von zu
Seit von zu
Außer genüber
Außer genüber
Ent-ge-gen
Ent-ge-gen

Slide 4 - Tekstslide

Voorzetsel
aus
 bei
 mit
nach 
 seit 
 von
 zu



Vertaling
uit
bij
met
na, naar
sinds
van
naar (personen)


Slide 5 - Tekstslide

Vertaling
door
zonder
voor
langs
tegen
om 
tot



Slide 6 - Tekstslide

stap 2: Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin: je zoekt onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

  • onderwerp: 1e naamval
  • meewerkend voorwerp: 3e naamval
  • lijdend voorwerp: 4e naamval

Slide 7 - Tekstslide

Persoonlijk en vragend voornaamwoord

in de 3e naamval


ich     - mir

du       - dir

er+ es- ihm

sie       -ihr:

Persoonlijk en vragend voornaamwoord

in de 4e naamval


ich - mich

du-  dich

er-   ihn

sie - sie

es-   es



wir- uns

ihr- euch

sie- ihnen

Sie- Ihnen

wir - uns

ihr-  euch

sie-  sie

Sie - Sie


 

Slide 8 - Tekstslide

Der- Gruppe
naamval
m
v
o
mv
1. 
der
die
das
die
3. 
dem
der
dem
den + n
4. 
den
die
das
die

Slide 9 - Tekstslide

Ein- Gruppe
naamval
m
v
o
mv
1.
ein 
eine 
ein 
keine 
3. 
einem
einer
einem
keinen + n
4. 
einen
eine
ein
keine

Slide 10 - Tekstslide