Paragraaf 3.2 Wie is de baas?

Week 50 (vanaf 12 december)
Pincode Hoofdstuk 3. Aan het werk?
  1. Hoe kom je aan werk?
  2. Wie is de baas?
  3. Hoe is het geregeld?
  4. Zonder werk?
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Week 50 (vanaf 12 december)
Pincode Hoofdstuk 3. Aan het werk?
  1. Hoe kom je aan werk?
  2. Wie is de baas?
  3. Hoe is het geregeld?
  4. Zonder werk?

Slide 1 - Tekstslide

Opgave 9 (circeldiagram)
Bekijk het cirkeldiagram.
Ga ervan uit dat er in totaal 160.000 bijbaantjes zijn.

a. Welk werk doen scholieren het vaakst?
  • babysitten (lichtblauw 28%)
b. Met welk werk verdienen scholieren het minst vaak geld?
  • karweitjes (donkerblauw 13%) en werken in de horeca (groen 13%)
c. Hoeveel scholieren bezorgen er een kranten?
  • krant bezorgen (rood 26%)
  • aantal = totaal ÷ 100 x percentage
  • aantal = 160.000  ÷ 100 x 26 = 41.600 scholieren

Slide 2 - Tekstslide

Wil je later voor een baas werken
of wil jij graag een eigen bedrijf?
voor een baas
een eigen bedrijf
weet niet

Slide 3 - Poll

Werkgever en werknemer
Als je voor een baas werkt, dan ben je een werknemer.

Je baas is de werkgever. Hij vertelt
wat je moet doen. En hij moet je
loon betalen.

Slide 4 - Tekstslide

Arbeidsovereenkomst
De werkgever en de werknemer sluiten een arbeidsovereenkomst af. Hierin staan de arbeidsvoorwaarden, zoals:

  • hoeveel uur per week je werkt
  • wat je loon is
  • hoeveel vakantiedagen je hebt

In de proeftijd (wettelijk maximaal 2 maanden) kunnen werkgever en werknemer kijken of het werk wel bevalt.



Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Vaste, tijdelijke en flexibele banen
Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dus zonder einddatum, is een vaste baan. Als er wel afgesproken is hoelang de baan duurt, dan heb je een tijdelijke baan.

Je kunt ook een flexibele baan hebben.
Dan kom je alleen werken als het bedrijf
je nodig heeft. Bijvoorbeeld:
  • met een oproepcontract of
  • als je via een uitzendbureau werkt

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Wat is je docent economie?
A
werkgever
B
werknemer
C
ondernemer
D
werkloze

Slide 9 - Quizvraag

Wat staat er in een arbeidsovereenkomst?
A
loon, vakantiedagen en ziektedagen
B
werkuren per week, loon en opleiding
C
werkuren per week, vakantiedagen en hobby's
D
werkuren per week, loon en vakantiedagen

Slide 10 - Quizvraag

Hoelang is de proeftijd maximaal?
A
1 week
B
1 maand
C
2 maanden
D
1 jaar

Slide 11 - Quizvraag

Je docent economie heeft een arbeidsovereenkomst voor dit schooljaar van 10 lesuren. Wat voor soort baan is dit?
A
vaste baan
B
tijdelijke baan
C
flexibele baan
D
hondebaan

Slide 12 - Quizvraag

Maakwerk voor de volgende keer



Paragraaf 3.2 Wie is de baas?
opgaven 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25 en 26
(vanaf pagina 72) maken in je schrift

Slide 13 - Tekstslide