Herhaling H4

Hoofdstuk 4
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4

Slide 1 - Tekstslide

Deze les
  • Introductie hoofdstuk 4
  • Instructie voorkennis + 4.1
  • Aan de slag: maken 4.1
  • Afsluiting van de les

Slide 2 - Tekstslide

Wat ga je leren:



  • 4.1 Eenheden van lengte - bijv 2,5 km = 2500 meter
  • 4.2 Eenheden van oppervlakte - bijv 5 cm2 = 500 mm2
  • 4.3 Oppervlakte driehoek
  • 4.4 Eenheden van inhoud -  40dm3 = 40 liter
  • 4.5 Eenheden van snelheid - km/u m/s

Slide 3 - Tekstslide

Gijs sprong .... ver
Jeroen zwom de 50 meter in ...
Marloes stootte een .. zware kogel 10,40 m weg
De school mocht het .. grote voetbalveld van SVSV gebruiken
Na de verloop van 3 km dronk Maaike in één keer .. vruchtensap
4,65 m
42,16 sec
0,75 liter
0,5 ha
3 kg

Slide 4 - Sleepvraag

Grootheid - eenheid
De grootheid Lengte meet je in meters (m). Meter is dus een eenheid van lengte net zoals kilometer, decimeter en millimeter.
Maar de grootheid noem je dus lengte

Slide 5 - Tekstslide

Grootheid
Eenheid
Seconde
Lengte
Oppervlakte
Hectare
Tijd
Kilometer
uur
gewicht
Centimeter (cm)
Snelheid
Kilogram (kg)

Slide 6 - Sleepvraag

Schrijf eenheden op die te maken hebben met de grootheid: tijd

Slide 7 - Open vraag

Schrijf eenheden op die te maken hebben met de grootheid: inhoud

Slide 8 - Open vraag

Eenheden van lengte
kilometer km    kilo = duizend
hectometer hm     hecto = honderd
decameter dam      deca = tien
meter m
decimeter dm    deci = tiende
centimeter cm        centi = honderste
miliimeter mm       milli = duizendste

Slide 9 - Tekstslide

1 km = 1000 m
1 m = 100 cm

Slide 10 - Tekstslide

5,13 m = .... cm

Slide 11 - Open vraag

1,65 m + 2,5 dm = ... cm

Slide 12 - Open vraag

Omtrek : alle zijden bij elkaar optellen

Omtrek van dit vierkant = 4 + 4 + 4 + 4 = 16 cm
4cm

Slide 13 - Tekstslide

Wat is de omtrek? Je mag je schrift gebruiken

Slide 14 - Tekstslide

Wat is de omtrek?

Slide 15 - Open vraag

2,5 + 5 + 6 + 8 + 3,5 + 3 = 28 m

Slide 16 - Tekstslide

Is snelheid een grootheid of een eenheid?
A
Grootheid
B
Eenheid

Slide 17 - Quizvraag

Oppervlakte driehoek

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Wat is de formule om de oppervlakte van een driehoek te meten
A
opp driehoek = lengte x breedte
B
Opp driehoek = 0,5 x zijde x bijbehorende hoogte
C
Opp driehoek = lengte : hoogte x 0,5
D
opp driehoek = 1 x zijde x bijbehorende hoogte

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de oppervlakte
van de driehoek
hiernaast?
A
364mm2
B
390mm2
C
336mm2
D
108mm2

Slide 21 - Quizvraag

LESDOEL
Ik kan kubieke maten in andere kubieke maten omzetten.

En ik weet dat:
1 dm³ = 1 liter


Slide 22 - Tekstslide

Wat is de formule om de oppervlakte van een driehoek te meten
A
opp driehoek = lengte x breedte
B
Opp driehoek = 0,5 x zijde x bijbehorende hoogte
C
Opp driehoek = lengte : hoogte x 0,5
D
opp driehoek = 1 x zijde x bijbehorende hoogte

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de inhoud van deze kubus?
A
8 cm³
B
6 cm³

Slide 24 - Quizvraag

Wat is de eenheid van gewicht?
A
Kilo/gram
B
liter/ mililiter
C
kilometer/meter
D
uur/minuut

Slide 25 - Quizvraag

Wat is de eenheid van inhoud?
A
Kilo/gram
B
liter/ mililiter
C
kilometer/meter
D
uur/minuut

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de eenheid van tijd?
A
Kilo/gram
B
liter/ mililiter
C
kilometer/meter
D
uur/minuut

Slide 27 - Quizvraag

Wat is de eenheid van lengte?
A
Kilo/gram
B
liter/ mililiter
C
kilometer/meter
D
uur/minuut

Slide 28 - Quizvraag

Wat is de eenheid van snelheid?
A
Kilo/gram
B
liter/ mililiter
C
kilometer/meter
D
km/per uur of m/per sec.

Slide 29 - Quizvraag

Hoeveel hectometer
gaan er in een
kilometer?
A
100
B
1
C
10
D
1000

Slide 30 - Quizvraag

Hoeveel meter
gaan er in een
kilometer?
A
100
B
1
C
10
D
1000

Slide 31 - Quizvraag

Hoeveel dm2
gaan er in een
m2?
A
100
B
1
C
10
D
1000

Slide 32 - Quizvraag

hoeveel dm3
gaan er in een
m3?
A
100
B
1
C
10
D
1000

Slide 33 - Quizvraag

Hoe bereken je de OMTREK?
A
lengte + breedte + lengte + breedte
B
Lengte : Breedte
C
Lengte-breedte
D
lengte x breedte

Slide 34 - Quizvraag

Hoe bereken je de Oppervlakte?
A
lengte + breedte + lengte + breedte
B
Lengte : Breedte
C
Lengte-breedte
D
lengte x breedte

Slide 35 - Quizvraag

Wanneer moet ik vierkante meters noteren?
A
zomaar
B
bij het berekenen van de omtrek
C
wanneer ik dat wil
D
bij het berekenen van oppervlakte

Slide 36 - Quizvraag

Wanneer je de oppervlakte van een driehoek moet gaan meten wat moet je als eerste doen?
A
een rechthoek om de driehoek tekenen
B
een rondje om de driehoek tekenen
C
gelijk gaan rekenen
D
weet ik niet

Slide 37 - Quizvraag

Wanneer je de oppervlakte van een driehoek gaat meten wat moet je als tweede doen?
A
niets
B
het rondje uitrekenen
C
gelijk gaan rekenen
D
de lengte en breedte noteren bij de rechthoek

Slide 38 - Quizvraag

Wanneer je de oppervlakte van een driehoek gaat meten wat moet je als derde doen?
A
de oppervlakte van het rechthoek bereken
B
niets
C
gelijk gaan rekenen
D
de lengte en breedte noteren bij de rechthoek

Slide 39 - Quizvraag

Wanneer je de oppervlakte van een driehoek gaat meten wat moet je als vierde doen?
A
de oppervlakte van het rechthoek delen door 2
B
niets
C
gelijk gaan rekenen
D
de lengte en breedte noteren bij de rechthoek

Slide 40 - Quizvraag

Welke formule gebruik je bij het berekenen van een INHOUD
A
1+2+3
B
lengte x breedte x hoogte
C
hoogte + de datum
D
Hetzelfde als de omtrek

Slide 41 - Quizvraag