BP2 Spelling: Interpunctie PW

Spelling
Interpunctie
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBO

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Spelling
Interpunctie

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?

  • Periodeplanning
  • Interpunctie: directe en indirecte rede
  • Interpunctie: komma
  • Zelfstandig aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

Periodeplanning

Slide 3 - Tekstslide

DRIE VRAGEN
Theorie: Directe rede en indirecte rede

Slide 4 - Tekstslide

Directe en indirecte rede

Jasmijn zei: 'Ik ga vanmiddag mijn wiskunde leren.'


Jasmijn zei dat ze vanmiddag haar wiskunde gaat leren. 

Slide 5 - Tekstslide

Directe en indirecte rede
1. Directe rede: je schrijft woord voor woord op wat iemand zegt. Dit noem je ook wel een citaat. Je gebruikt aanhalingstekens.
Jasmijn zei: 'Ik ga vanmiddag mijn wiskunde leren.'

2. Indirecte rede: je omschrijft wat iemand zegt en werkt niet met aanhalingstekens.
Jasmijn zei dat ze vanmiddag haar wiskunde gaat leren. 

Slide 6 - Tekstslide

DRIE VRAGEN
2 vragen over de directe en indirecte rede

Slide 7 - Tekstslide

De boze stiefmoeder vroeg aan de spiegel wie de mooiste van het land is.
A
Directe rede
B
Indirecte rede

Slide 8 - Quizvraag

De spiegel antwoordde: 'U bent de mooiste van het land.'
A
Directe rede
B
Indirecte rede

Slide 9 - Quizvraag

Regels bij directe rede
Er zijn 3 verschillende vormen/volgordes mogelijk:

1. Als je eerst zegt wie spreekt
2. Als je eerst citeert en dan zegt wie spreekt
3. Als je het citaat onderbreekt

Per onderdeel volgt er hierna uitleg en voorbeelden.

Slide 10 - Tekstslide

1. Als je eerst zegt wie spreekt
Mick zei: 'Ik lust wel een tosti.'
Mick vroeg: 'Mag ik een tosti?'
Mick riep: 'Geef mij nu een tosti!'

Let op: dubbele punt, hoofdletter, aanhalingstekens en punt/komma/vraagteken/uitroepteken binnen de aanhalingstekens.

Slide 11 - Tekstslide

2. Als je eerst citeert en dan zegt wie er spreekt
'Jij gaat vandaag aan het werk', zei mijn moeder.
'Moet jij vandaag aan het werk?', vroeg mijn moeder.
'Ga aan het werk!', riep mijn moeder.

Let op: Hoofdletter, aanhalingstekens en punt/komma/vraagteken/uitroepteken binnen de aanhalingstekens en de komma na het citaat buiten de aanhalingstekens.

Slide 12 - Tekstslide

3. Als je het citaat onderbreekt
Dat kan op twee manieren:

De zin loopt door:
'Weet je', zei Max, 'je bent mijn beste vriend.'

Het citaat bestaat uit verschillende zinnen:
'Weet je wat er is gebeurd?', vroeg Max. 'Mijn fiets is gestolen.'

Slide 13 - Tekstslide

DRIE VRAGEN
1 vraag over de directe en indirecte rede

Slide 14 - Tekstslide

Zet de juiste interpunctie in de zin.
breng sneeuwwitje naar het bos en dood haar riep de boze koningin

Slide 15 - Open vraag

DRIE VRAGEN
Theorie: Komma

Slide 16 - Tekstslide

Komma: wanneer?
1. Zet een komma tussen twee werkwoorden die niet bij hetzelfde gezegde horen.

-Jan heeft gezorgd voor een taartje. (geen komma)
-Nadat Jan een taartje had gegeten, moest hij naar huis. (wel komma)

Slide 17 - Tekstslide

Komma: wanneer?
2. Tussen een opsomming van bijvoeglijke naamwoorden.
Dit is een fijne, mooie fiets.

3. Tussen delen van een andere opsomming die je van plek kunt wisselen.
Als we op vakantie gaan, stoppen we handdoeken, zwemspullen en slippers in onze tassen. 

Slide 18 - Tekstslide

Komma: wanneer?
4. Zet een komma voor de signaalwoorden maar, want, omdat, doordat, tenzij, terwijl, mits, zodat, zodra.
Ik ga pizza eten, want ik ben alleen thuis vanavond.

5. Voor of na een naam of uitroep aan het begin of aan het einde van een zin. 
'Sophie, kom eens helpen.'
'Ga nu eens opzij, joh!'

Slide 19 - Tekstslide

DRIE VRAGEN
4 vragen over de komma

Slide 20 - Tekstslide

Goed of fout?
Ik wil deze ongare, smakeloze cake niet eten.
A
Goed
B
Fout

Slide 21 - Quizvraag

Goed of fout?
Als je wint heb je vrienden.
A
Goed
B
Fout

Slide 22 - Quizvraag

Goed of fout?
Joh, dat geeft toch niets.
A
Goed
B
Fout

Slide 23 - Quizvraag

Goed of fout?
Ik heb altijd water koekjes, een pen en een leesboek bij me.
A
Goed
B
Fout

Slide 24 - Quizvraag

Aan de slag
Oefening maken - Directe en indirecte rede

Slide 25 - Tekstslide