Les 5 : Werkwoorden




Les 5: werkwoorden
Lunes 18 de mayo  de 2026
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les




Les 5: werkwoorden
Lunes 18 de mayo  de 2026

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieuwe plattegrond m3-sp2

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieuw plattegrond m3-sp1 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Objetivos de la clase/ Lesdoelen



Aan het einde van de les:
  • de signaalwoorden herhaling (Kahoot).
  • kun je aantal basis werkwoorden weten en toepassen. (Examenidioom p.3 y 4)   
                  


                  
Op tafel:
 Tablets of laptops
Examenidioom: 18 juni!!!

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kahoot: Signaalwoorden
¡A jugar!

Slide 5 - Tekstslide

https://create.kahoot.it/details/signaalwoorden-spaans-m3/db3584da-f0ae-4d04-a6ea-3e96500bd896?drawer=
          ¡A practicar! 
timer
5:00
https://studygo.com/nl/learn/groups/431820/join?key=0d7e1af

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Idioomtoets: Werkwoorden: p. 3 y 4

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A practicar verbos regulares
timer
10:00

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Idioomtoets: Werkwoorden: p. 3 y 4
  1. Groeperen helpt: leer werkwoorden met dezelfde verandering samen. Tener en venir lijken in de presente op elkaar: tengo/vengo, tienes/vienes.
  2. Gebruik ezelsbruggetjes: de ik-vormen digo en hago eindigen allebei op -go. Zo ook vengo, tengo .
  3. Herhaal hardop: klank helpt bij geheugen. Spreek de vervoegingen luid uit.
  4. Oefen met korte zinnen: Hoy voy al gimnasio, Tengo hambre, No sé la respuesta.
Tips

Slide 9 - Tekstslide

https://www.overalspaans.nl/blog/10-onregelmatige-Spaanse-werkwoorden
Idioomtoets: Werkwoorden: p. 3 y 4

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¡A practicar! 
Vul de werkwoorden in de juiste zin. Vervoeg ze ook!

empezar(ie) / poder(ue) / saber / alquilar/ trabajar
1. Mi familia siempre ________ un departamente junto al mar en el verano.
2. ¿A qué hora __________ el examen de español? – A las 09:00h.
3. Tú __________ el nombre de la profesora de español. 
      Yo no _____. 
4. Anna __________ en Jumbo por la tarde los jueves y los viernes. 
5. -¿Tú _______ir a la fiesta de Alicia?
    - No ________, yo tengo que estudiar.




timer
3:00

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heb je de lesdoelen behaald?


1. Hoe zeg je "Ik werk", "María spreekt Spaans", "Ik weet het niet", "We willen chocolade", in het Spaans.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¡Hasta el jueves!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies