Inkomstenbelasting

Ken je de begrippen & theorie?
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Ken je de begrippen & theorie?

Slide 1 - Tekstslide

Inkomstenbelasting betaal je over je:
A
bruto inkomen + aftrekposten
B
bruto inkomen
C
Belastbaar inkomen
D
belastbaar inkomen - kortingen

Slide 2 - Quizvraag

Je bruto inkomen hoeft niet hetzelfde te zijn als je belastbaar inkomen (denk aan aftrekposten zoals hypotheekrente).

Inkomsten belasting betaal je over je belastbare inkomen.

Slide 3 - Tekstslide

Een progressief belastingtarief betekent:
A
Dat mensen met meer inkomen meer belasting betalen
B
Dat mensen met meer inkomen % minder belasting betalen
C
Dat mensen met meer inkomen minder belasting betalen
D
Dat mensen met meer inkomen % meer belasting betalen

Slide 4 - Quizvraag

Het marginale belastingtarief is
A
Het gemiddelde belastingtarief
B
Niet zo heel erg veel, het is het laagste tarief
C
Het hoogste tarief waarin je inkomen valt
D
Alle belastingschijf tarieven opgeteld en dan vergeleken met wat jij betaalt.

Slide 5 - Quizvraag

Marginale belastingtarief
Iedere euro van jouw belastbare inkomen verdeel je over de belastingschijven, je begint in schijf 1 en stopt als je al jouw inkomen heb verdeeld. Het % van de laatste schijf waar je inkomen in komt, dat is het marginale tarief.
Dat is dus het hoogste % belasting dat jij betaalt.

Slide 6 - Tekstslide

Loonheffing is:
A
inkomstenbelasting
B
inkomstenbelasting + korting
C
inkomstenbelasting - korting
D
Inkomstenbelasting en premies volksverzekering

Slide 7 - Quizvraag

Een voorbeelden van volksverzekeringen zijn:
A
AOW
B
Aansprakelijkheidsverzekering
C
Verzekeringen voor werknemers
D
Wajong

Slide 8 - Quizvraag

Aangifte inkomstenbelasting doe je:
A
Aan het eind van het jaar
B
Maandelijks een voorschot
C
Aan het begin van het jaar
D
Ieder kwartaal opnieuw.

Slide 9 - Quizvraag

De progressieve inkomstenbelasting werkt:
A
Nivellerend op de inkomens
B
denivellerend op de inkomens
C
Niet, want iedereen betaalt hetzelfde %
D
Alleen voor de hogere inkomens.

Slide 10 - Quizvraag

Progressieve belastingen zijn belastingen die:
A
Ervoor zorgen dat mensen minder hard werken.
B
Volgens het profijtbeginsel werken.
C
Voor iedereen gelijk zijn
D
Volgens het draagkrachtbeginsel werken

Slide 11 - Quizvraag

Het gemiddelde heffingstarief is:
A
Altijd lager dan het marginale tarief
B
Gelijk aan het marginale tarief
C
Altijd hoger dan het marginale tarief
D
Kan hoger maar ook lager dan het marginale tarief zijn.

Slide 12 - Quizvraag

Het marginale belastingtarief is het hoogste tarief dat je betaalt. 
De tarieven daaronder zijn allemaal lager. Je gemiddelde tarief zal daarom altijd lager zijn dan het marginale tarief.

Slide 13 - Tekstslide

De betaalde hypotheekrente
A
Verlaagt je belastbare inkomen
B
Verhoogt je belastbare inkomen
C
Verlaagt je bruto inkomen
D
Verhoogt je bruto inkomen

Slide 14 - Quizvraag

Wat is een aftrekpost bij de inkomstenbelasting?
A
hypotheekaflossing
B
hypotheekrente

Slide 15 - Quizvraag

Inkomstenbelasting in een ......
A
directe belasting
B
indirecte belasting

Slide 16 - Quizvraag

Inkomstenbelasting gaat direct van je werkgever naar de belastingdienst. Het is dan ook een directe belasting.

Bij de BTW bijvoorbeeld betaal je eerst aan een winkelier en die geeft het door aan de belastingen. Dat is indirect.

Slide 17 - Tekstslide

und jetzt?
Maak de werkbladen helemaal 
Hoofdstuk 3 is af!

Slide 18 - Tekstslide