In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 15 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
8.2 Enzymen
Slide 1 - Tekstslide
Begrippen
katalyseren
Substraat
Enzymsubstraatcomplex
Optiumkromme
Minimumtermperatuur
Maximumtemperatuur
Optiumtemperatuur
Slide 2 - Tekstslide
Bouw van enzymen
Enzymen zijn eiwitten en hebben een specifieke ruimtelijke 3D structuur.
De aminozuurvolgorde bepaald welk enzym het is.
Het DNA bepaald de aminozuurvolgorde.
Dus elk enzym heeft een specifiek gen.
Een enzym eindigt altijd op -ase bv lipase
Slide 3 - Tekstslide
Enzym-substraatcomplex
Enzymen zijn heel selectief bij de vertering, door hun vorm. Net als een puzzelstukje past een enzym precies op 1 plaats.
Slide 4 - Tekstslide
Enzymen
Door enzymen kunnen wij, bij lage temperaturen, stoffen afbreken (dissimilatie) of opbouwen (assimilatie).
Enzymen zijn eiwitten.
Naamgeving: substraat + - ase vb. Lactase
Slide 5 - Tekstslide
Enzymen
Zijn altijd eiwitten
Er zijn twee soorten: - Opbouwende enzymen
voor assimilatie (bv bij spiervorming)
- Afbrekende enzymen voor
dissimilatie (bv bij vertering)
Enzymen zijn verantwoordelijk voor de stofwisselingsreacties in de cel
Slide 6 - Tekstslide
enzymactiviteit
factoren die de enzym activiteit beïnvloeden:
temperatuur
concentratie (hoeveelheid) enzym, substraat en product
pH
maar je hebt maar een kleine hoeveelheid enzym nodig, want dan laat het eindproduct los en kan het enzym opnieuw gebruikt worden
Slide 7 - Tekstslide
Optimumkromme
Een enzym werkt het best bij een bepaalde temperatuur of pH. Als je de enzymactiviteit uitzet in een grafiek, krijg je meestal een optimumkromme:
Eerst stijgt de activiteit (tot aan het optimum).
Daarna daalt de activiteit (na het optimum).
Slide 8 - Tekstslide
Optimumkromme
Slide 9 - Tekstslide
Optimumkromme (temp)
Start van denaturatie
Slide 10 - Tekstslide
Even oefenen!
Slide 11 - Tekstslide
Welk enzym heeft dezelfde optimumtemperatuur als de enzymen in jouw darmen?
A
enzym A
B
enzym B
Slide 12 - Quizvraag
Sleep de enzymen naar het substraat
DNA<div><br></div>
maltose
lipiden<div><br></div>
RNA<div><br></div>
peptiden
zetmeel <div>(amylum)</div>
lipase
amylase
DN-ase
RN-ase
pepsine
maltase
Slide 13 - Sleepvraag
Als een enzym gedenatureerd is, betekent dat dat het enzym ...
A
opgebruikt is
B
uit elkaar is gevallen
C
dood is
D
definitief van vorm is veranderd
Slide 14 - Quizvraag
In de afbeelding zie je de werking van twee enzymen. Als je onderzoek wilt doen naar de werking van enzymen bij 40 graden, welk van de twee enzymen kan je dan het beste gebruiken?
A
Enzym 1
B
Enzym 2
C
Beide zijn goed
D
Geen van beide
Slide 15 - Quizvraag
7 Gegeven:
2 enzymen en 2 curves. Het enzym pepsine komt voor in de maag. Het enzym amylase zit in ons speeksel. Zet de enzymen op de juiste plek.
Pepsine
Amylase
Slide 16 - Sleepvraag
Wat is waar over enzymen?
A
Enzymen zijn niet afhankelijk van de zuurgraad
B
Enzymen zijn afhankelijk van de temperatuur
C
Enzymen zijn niet specifiek
D
Enzymen moet je eten
Slide 17 - Quizvraag
substraat
enzym
product
Slide 18 - Sleepvraag
Lipase is een enzym. Wat is het substraat bij dit enzym?
A
lipiden = vetten
B
amylose = zetmeel
C
DNA
D
cellulose = houtstof
Slide 19 - Quizvraag
Wat begrijp ik al van deze basisstof?
Slide 20 - Open vraag
Wat vind ik nog moeilijk van deze bassistof?
Slide 21 - Open vraag
Wat ga ik doen om de stof nog beter te begrijpen/eigen te maken?