25 okt /26 okt

Leerdoelen
  • Je leert hoe je een zakelijke brief of zakelijke e-mail schrijft.
  • Je leert wat verwijswoorden zijn.
  • Je leert wanneer je de verwijswoorden die, dat en wat moet gebruiken.
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Leerdoelen
  • Je leert hoe je een zakelijke brief of zakelijke e-mail schrijft.
  • Je leert wat verwijswoorden zijn.
  • Je leert wanneer je de verwijswoorden die, dat en wat moet gebruiken.

Slide 1 - Tekstslide

Waarom moet je weten hoe je een email opstelt?

Heb je eens eerder een zakelijke brief of e mail geschreven? 

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Opdracht
Maak in de online methode
Magister - ELO- leermiddelen - Talent- H1 - paragraaf   opdracht 1b  t/m 7
Klaar:? 
GA DOOR MET HET LEZEN VAN JOUW LEESBOEK.

Slide 4 - Tekstslide

instructie+ opdrachten 
Hoofdstuk 1.4 opdracht 1b  t/m 7  - behalve 5 
opdracht 1b: vergelijk tekst 1 met tekst 2 
Let op bij opdracht 7: vaste voorzetsels: uit het hoofd leren.

timer
10:00

Slide 5 - Tekstslide

Verwijswoorden
Verwijswoorden zijn woorden die kunnen terugwijzen naar een woord, een groepje woorden of een hele zin.
Voorbeelden van verwijswoorden: hij, zij, dat, die en daar.

Slide 6 - Tekstslide

verwijswoorden: dat, die, wat

Slide 7 - Tekstslide

Lesdoel
In deze les: 
Kan je de verwijswoorden die, dat en wat herkennen. 
Kan je in een zin de juiste verwijswoorden opschrijven. 

Slide 8 - Tekstslide

verwijswoorden?
We gebruiken verwijswoorden om de tekst boeiend te houden.

Een verwijswoord verwijst naar een ander woord dat in de tekst staat. 

Voorbeelden van verwijswoorden zijn:
hij, zij, ze, het, haar, hem, hun, die, dat, er, daar, dan…



Slide 9 - Tekstslide

Verwijswoorden

Slide 10 - Tekstslide

Oefenopdracht e mail schrijven
Je werkt eerst alleen aan deze oefen-
opdracht 14 en 15

Daarna vraag je en geef je feedback aan
je medeleerling.

Slide 11 - Tekstslide

Opdrachten

  • Klassikaal opdracht 1

  • In tweetallen of in een groepje opdracht 3

  • Zelfstandig opdracht 4

Klaar = nakijken



timer
20:00

Slide 12 - Tekstslide