Les 6 (VO2)

Les 6

1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary EducationAge 12

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 6

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Les 6 VO2

Wat gaan we vandaag doen? 

1. Hoe ging het huiswerk?
2. tekstverbanden en signaalwoorden (Cursus 1 Meer dan lezen §3) 
3. Cursus 5 Grammatica §5 Werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde (blz 214-215)            
            

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Cursus 5 Grammatica §7 herhaling bijvoeglijke bepaling 
(blz 218-219) 

Slide 5 - Tekstslide

Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap of toestand van een ander woord benoemt.
De bijvoeglijke bepaling
  • De bijvoeglijke bepaling is GEEN zinsdeel, maar een deel van een ander zinsdeel.
  • De bijvoeglijke bepaling zegt iets over het zelfstandig naamwoord in een zinsdeel.
  •  De bijvoeglijke bepaling kan voor of achter een zelfstandig naamwoord staan.



De zelfverzekerde bokser | geeft | zijn jongere tegenstander | een dreun van jewelste.
        -------------->                                             ------->                                                        <-----------


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zinsdelen en zinsdeelstukken
- Werkwoordelijk gezegde
- Onderwerp
- Lijdend voorwerp
- Meewerkend voorwerp
- Bijwoordelijke bepaling
----------------------------------
- Bijvoeglijke bepaling

‘Gisteren reed ik op mijn nieuwe fiets in twintig minuten naar mijn werk’

Zinsdelen
Zinsdeelstuk

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijvoeglijke bepaling
- Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
- Een bijvoeglijke bepaling vind je door te vragen: welke/wat voor + het zelfstandig naamwoord?

Voorbeeld: 
De slimme jongen \is \ lid \ geworden \ bij onze voetbalclub.
slimme = bijvoeglijke bepaling bij jongen (welke/wat voor + jongen?) 
onze = bijvoeglijke bepaling bij voetbalclub (welke/wat voor + voetbalclub?)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bijvoeglijke bepaling uitleg
Wat belangrijk is om te weten is dat:
- een bijvoeglijke bepaling kan uit één of meerdere woorden bestaan.
- er meerdere bijvoeglijke bepalingen in een zin kunnen staan.
- een bijvoeglijke bepaling altijd onderdeel is van een ander zinsdeel (vaak van het lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp).
- Een bijvoeglijke bepaling is meestal een bijvoeglijk naamwoord, maar kan ook een bezittelijk voornaamwoord zijn, BV: mijn kat, jouw vriend, onze spullen. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bijvoeglijke bepaling?
....... de post van mijn oma......
A
de post
B
post
C
van mijn oma
D
oma

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bijvoeglijke bepaling?
De ijsblauwe zee in Noorwegen is bevroren.
A
'IJsblauwe' en 'in Noorwegen'
B
Bevroren
C
'IJsblauwe'
D
'In Noorwegen'

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bijvoeglijke bepaling?
....... de blauwe brieven van de Belastingdienst......
A
de brieven
B
de blauwe brieven
C
van de belastingdienst
D
blauwe + van de belastingdienst

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bijvoeglijke bepaling?
De barcecue van de buren ......................
A
De barbecue
B
barbecue
C
van de buren
D
buren

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is waar over de bijvoeglijke bepaling? Kies de goede antwoorden.

Een bijvoeglijke bepaling...
A
is geen zinsdeel, maar een deel van een zinsdeel.
B
zegt iets over een werkwoord in een zinsdeel.
C
is altijd een zinsdeel.
D
hoort bij de woordsoorten en niet bij de zinsdelen.

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bijvoeglijke bepaling is een
A
zin
B
zinsdeel
C
deel van een zinsdeel

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een bijvoeglijke bepaling?
Ze speelt op de beste gitaar van Nederland.
A
beste
B
van Nederland
C
beste, van Nederland
D
de beste, van Nederland

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Let op! 
Namen kunnen ook bijvoeglijke bepalingen zijn.

Voorbeeld:

De plaats Zandvoort ligt aan de Nederlandse kust.

Zandvoort = bijvoeglijke bepaling bij plaats
Nederlandse = bijvoeglijke bepaling bij kust




Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde
Er zijn twee soorten zinnen: zinnen met een werkwoordelijk gezegde en zinnen met een naamwoordelijk gezegde (nb. nooit allebei in een zin!)
 
werkwoordelijk gezegde: het onderwerp doet iets (of het onderwerp overkomt iets) -> alle werkwoorden in de zin.

Naamwoordelijk gezegde: het onderwerp is iets (of wordt iets, enz.) -> alle werkwoorden in  de zin + het naamwoordelijk deel

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde koppelt een eigenschap met het onderwerp... (met een koppelwerkwoord zoals zijn, worden, blijven, blijken, lijken en schijnen).

Nb. Het koppelwerkwoord is niet altijd de persoonsvorm in de zin ('zij is voorzitter geweest').

...die eigenschap is het naamwoordelijk deel van het gezegde (er is natuurlijk ook een werkwoordelijk deel). 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde (Herhaling)
Later / wordt / zij / slaapspecialist 

Pv: wordt
Ow: zij    

Wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden? 

Wat wordt zij? Slaapspecialist. 
Dus: ng = wordt [slaapspecialist]. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Naamwoordelijk gezegde
De kat is helaas heel moe geworden.
De kat wordt kampioen.    

wat is het naamwoordelijk deel? zet dat tussen haakjes []. 
(tip: Wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden?) 
Dus: kan een zelfstandig naamwoord zijn, een bijvoeglijk naamwoord, enz.   

Wat is het naamwoordelijk gezegde (nw deel plus ww deel)?  
Dus: moeten de werkwoorden in het nm gz naast elkaar staan? 

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

'De komende jaren zal de zeespiegel blijven stijgen.'
Nw gezegde of ww gezegde?
A
Nw gezegde
B
ww gezegde

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Parijs is de stad van de liefde.'
Wat is het nw gezegde?
A
Parijs is
B
is de stad
C
is de stad van de liefde
D
de stad van de liefde

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Een struisvogel is de snelste loopvogel ter wereld.'
Wat is het nw gezegde?
A
is de snelste loopvogel
B
is de snelste loopvogel ter wereld
C
een struisvogel
D
is

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Het motief van de dader bleef erg onduidelijk.'
Wat is het nw gezegde?
A
bleef onduidelijk
B
erg onduidelijk
C
bleef erg
D
bleef erg onduidelijk

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Die horrorfilm lijkt mij ontzettend eng.'
Wat is het nw gezegde?
A
ontzettend eng
B
lijkt eng
C
lijkt ontzettend eng
D
lijkt mij ontzettend eng

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Door de verwoestende tornado werden honderden mensen dakloos.'
Wat is het nw gezegde?
A
werden dakloos
B
honderden mensen
C
werden
D
dakloos

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesafsluiting: Huiswerk
▪ Lezen in je Nederlandse leesboek 

▪ Leren voor Cursus 5 Grammatica §3, §5 en §7. Lees de stof goed door en oefen met oefentoetsen voor deze paragrafen. 

▪Voorbereiden voor volgende week: Cursus 1 doorlezen van §5 theorie + tekst 1, tekst 2 en tekst 3 (blz. 34-37).  
  

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling nw gezegde en ww gezegde

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde (Herhaling)
In het Nederlands heb je twee soorten zinnen. 
Zinnen waarin iemand iets doet. = Ik geef les.
Zinnen waarin iemand iets is = ik ben docent.

Je bepaalt of je te maken hebt met een werkwoordelijk of een naamwoordelijk gezegde na het onderstrepen van de pv en benoemen van het onderwerp.  

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde (Herhaling)
Later / wordt / zij / slaapspecialist 


Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde (Herhaling)
Later / wordt / zij / slaapspecialist 

Pv: wordt
Ow: zij    

Wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden? 

Wat wordt zij? Slaapspecialist. 
Dus: ng = wordt [slaapspecialist]. 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Naamwoordelijk gezegde
De leerling / is / boos / geworden. 
ow: de leerling
ng: is [boos] geworden

Het naamwoordelijk gezegde koppelt een eigenschap met het onderwerp.
die eigenschap is het naamwoordelijk deel van het gezegde. 

Dit koppelen gebeurd met zog. koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken en schijnen.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs naamwoordelijk gezegde
Je moet bij elke zin kiezen tussen een naamwoordelijk gezegde OF een werkwoordelijk gezegde. Ze zitten nooit allebei in de zin. 


werkwoordelijk gezegde: het onderwerp doet iets -> alle werkwoorden in de zin .
Naamwoordelijk gezegde: het onderwerp is iets -> alle werkwoorden in  de zin + het naamwoordelijk deel

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel.

pv?
timer
0:30
A
voor veel leerlingen
B
blijft
C
grammatica
D
een moeilijk onderdeel.

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel.

ow?
timer
0:30
A
voor veel leerlingen
B
blijft
C
grammatica
D
een moeilijk onderdeel.

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wg of ng?
Voor veel leerlingen / blijft / grammatica / een moeilijk onderdeel.
ow: grammatica

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel.

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
timer
0:30
A
werkwoordelijk
B
nee, naamwoordelijk!

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel.

Wat is het naamwoordelijk gezegde?
timer
0:30
A
blijft
B
blijft [een moeilijk onderdeel voor veel leerlingen]
C
blijft [voor veel leerlingen]
D
blijft [een moeilijk onderdeel]

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

De ijverige Hendirk bleek de beste van de klas met wiskunde.
timer
0:30
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde.

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Sophie bleef na de les nog even zitten.
timer
0:30
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde.

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

LAATSTE
naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

De moestuin is een grote puinhoop geworden.
timer
0:30
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde.

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies