Les 21 taal PABO, 6 april 2026

Les 21 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 21 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):
  • Leerde je de theorie over stellen.
  • Leerde je de functies en doelen van geschreven taal.
  • Leerde je wat goed schrijfonderwijs is.
  • Leerde je wat Taalronde is.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag uit een eerdere les |

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een leerkracht laat leerlingen een werkblad invullen waarbij ze losse zinnen moeten verbeteren op spelling en grammatica. Leg uit waarom deze opdracht volgens de theorie over stellen niet volledig aansluit bij het doel van stelonderwijs. Wat zou de leerkracht kunnen veranderen om de opdracht beter te laten passen bij goed stelonderwijs?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit wat het verschil is tussen overtuigen en opinioneren. Noem bij elke functie een kenmerk dat helpt deze functie te herkennen in een tekst.

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg in je eigen woorden uit wat het verschil is tussen de communicatieve, conceptualiserende en expressieve functie van geschreven taal. Geef bij elke functie een concreet kenmerk dat helpt deze functie te herkennen.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit waarom het werken met modelteksten, scaffolding en feedback belangrijke didactische principes zijn bij goed schrijfonderwijs. Geef bij elk principe aan wat het doel is en hoe het de schrijfontwikkeling van kinderen ondersteunt.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit wat het verschil is tussen procesgericht en productgericht schrijfonderwijs en verbind dit aan de zes fases van het schrijven volgens Huizenga & Robbe (2017).

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit hoe de stappen van de Taalronde (kring, onderwerp introduceren, vertelronde, (teken)lijstje, tweetalgesprek, tekst schrijven en voorleesronde) samen bijdragen aan het idee dat ‘iedereen kan schrijven’. Welke theorieachtergrond maakt deze methode effectief voor beginnende schrijvers?

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Leer je de begrippen cognitieve belasting en contextuele inbedding.
  2. Leer je hoe je van een min-minsituatie een win-winsituatie kunt maken.

Deze les bevat theorie vanuit bijeenkomst 9.



Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Cognitieve belasting.
Begrip van een tekst gaat makkelijker als deze aansluit op de voorkennis van de leerling (leerlingen hebben schema’s in het hoofd dat correspondeert met de inhoud van de tekst). ​​

​​Een lastige tekst zal meer cognitieve inspanning vereisen of denkruimte in beslag nemen.​ De cognitieve last wordt bepaald door een aantal factoren: ​​
  • moeilijke woorden: de betekenis van de woorden zijn onbekend.
  • moeilijke beschrijving of uitleg: de lezer heeft weinig voorkennis van de fenomenen of processen die in de tekst worden beschreven.
  • informatiedichtheid: veel informatie in een klein stukje tekst, de lezer moet betekenissen reconstrueren.
  • implicaties: de lezer moet veel onbekende informatie zelf invullen.​​
  • onbekende ideeënwereld: de lezer beschikt over weinig schema’s om de informatie uit de tekst te plaatsen. ​​

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Contextuele inbedding.
  • Niet-talige/non-verbale context​;
Bijvoorbeeld: tekeningen, voorwerpen, demonstraties​.
  • Talige/verbale context​;
Bijvoorbeeld: verwijzen naar eigen ervaringen, hulp bij moeilijke woorden​.
Mogelijk gevolg: het verhaal/de informatie is beter te volgen.



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Cognitieve belasting en contextuele inbedding.
De tekst wordt complexer als de cognitieve belasting hoog is en de contextuele inbedding laag is.​ Dus:
  • moeten leraren anticiperen op problemen die leerlingen kunnen tegenkomen bij het lezen van een tekst.
  • moeten leraren van tevoren struikelblokken opsporen ter voorkoming van onverwachte moeilijkheden.​

Gevolgen voor de leerling:​
  • minder frustratie bij het lezen van de tekst. ​​
  • meer begrip van de inhoud van de tekst.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Min-minsituatie.
  • Kinderen begrijpen de taal in de (zaak)vakken onvoldoende.​
  • De lessen gaan over de hoofden van de leerlingen heen en er vindt geen interactie plaats.​
  • Kinderen leren geen (zaak)vakinhouden.
  • Ze leren geen schooltaal gebruiken.




Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Van min-min naar win-win.
Bepalende factoren om min-min om te zetten in win-win:​
  1. Voorkennis aanbrengen
  2. Leerlingen vertrouwd maken met moeilijke woorden, zinsconstructies of taalfuncties (rederingen, argumentaties) die ze gaan tegenkomen in de tekst
  3. Kinderen bekend maken met fenomenen en processen horend bij het vaklesdoel
  4. Gebruikmaken van concreet materiaal. Tonen van voorwerpen, foto’s afbeeldingen en demonstraties
  5. Oproepen van (pas) opgedane ervaringen (‘Weet je nog…’)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Win-win model Van Verbeek en Verhallen.
Het win-win model Van Verbeek en Verhallen (2004):
  1. De eerste les;
    Ervaringscontext aanbrengen: laten zien, laten doen, kijken en luisteren.​​
  2. De tweede les;
    Tekst behandelen.​​
  3. De derde les;
    ​​Laten toepassen van het geleerde: controleren of de tekst begrepen is.​​


Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Win-win situatie.
  • Zorg ervoor dat de leerlingen de (moeilijke) taal in de zaakvakken begrijpen.
  • Leerlingen kunnen de les volgen, ze gebruiken schooltaal en krijgen daar feedback op.
  • Kinderen leren (zaak)vakinhouden.
  • Ze ontwikkelen schoolse vaardigheden.

Geïntegreerd taal- en zaakvakkenonderwijs.




Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Scaffolding.
Stappenplan scaffolding (Van der Pol, 2013)​
  1. Probleemdiagnose bepalen​; Wat weet de leerling al wel en wat nog niet?​
  2. Probleemdiagnose checken​; Heb je de hulpvraag goed in beeld?​
  3. Hulpstrategieën​; Bijvoorbeeld: modelen en open vragen stellen (Wat heb je daarvoor nodig? Waar kun je dat vinden?)​
  4. Begripscheck​; Laat de leerling de leeropbrengst herhalen i.p.v. ‘Nog vragen?’ / ‘Duidelijk zo?’

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Belangrijk.
Neem bijeenkomst 9 echt even door.
Bijvoorbeeld sheet 28; Deze over een concept kerndoel. Wellicht worden daar vragen over gesteld tijdens de toets.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Leer je de begrippen cognitieve belasting en contextuele inbedding.
  2. Leer je hoe je van een min-minsituatie een win-winsituatie kunt maken.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke situatie vergroot volgens de theorie het meest de cognitieve belasting van een lezer?

A. Een tekst met bekende woorden maar met veel herhaling van informatie
B. Een tekst waarin veel informatie in korte zinnen wordt samengebracht
C. Een tekst met duidelijke voorbeelden uit het dagelijks leven van leerlingen
D. Een tekst waarin de lezer zijn voorkennis kan gebruiken

Slide 23 - Open vraag

Wanneer een tekst veel informatie in een klein stukje tekst bevat, is er sprake van hoge informatiedichtheid. De lezer moet dan veel betekenissen tegelijk verwerken, wat de cognitieve belasting verhoogt.
Waarom kan contextuele inbedding helpen bij het begrijpen van een tekst?

A. Omdat leerlingen minder hoeven te lezen
B. Omdat de tekst hierdoor automatisch eenvoudiger wordt
C. Omdat extra context leerlingen helpt de informatie beter te volgen en te begrijpen
D. Omdat leerlingen hierdoor geen voorkennis meer nodig hebben

Slide 24 - Open vraag

Door verbale en non-verbale context krijgen leerlingen extra aanknopingspunten om de inhoud van de tekst te begrijpen. Hierdoor wordt de informatie beter te volgen.
Wanneer wordt een tekst volgens de theorie het meest complex voor leerlingen?

A. Wanneer de cognitieve belasting hoog is en de contextuele inbedding laag
B. Wanneer de cognitieve belasting laag is en de contextuele inbedding hoog
C. Wanneer de cognitieve belasting laag is en er weinig voorkennis nodig is
D. Wanneer de tekst veel voorbeelden bevat

Slide 25 - Open vraag

Een tekst wordt het moeilijkst wanneer leerlingen veel cognitieve inspanning moeten leveren terwijl er weinig ondersteuning vanuit context (zoals uitleg, voorbeelden of visuele ondersteuning) aanwezig is.
Welke aanpak helpt volgens de theorie het meest om een min-min situatie om te zetten naar een win-win situatie?

A. Leerlingen zelfstandig een tekst laten lezen zonder voorbereiding
B. Leerlingen laten oefenen met spelling voordat ze een tekst lezen
C. Leerlingen vooraf vertrouwd maken met vakbegrippen en voorkennis activeren
D. Leerlingen de tekst meerdere keren laten overschrijven

Slide 26 - Open vraag

Door voorkennis te activeren, moeilijke woorden vooraf te bespreken en concrete voorbeelden te gebruiken, krijgen leerlingen meer grip op zowel de taal als de vakinhoud, wat leidt tot een win-win situatie.
Wat is het belangrijkste doel van de eerste les in het win-win model Van Verbeek en Verhallen?

A. Controleren of leerlingen de tekst goed hebben begrepen
B. Leerlingen laten oefenen met moeilijke spellingwoorden
C. Een ervaringscontext creëren zodat leerlingen de inhoud beter kunnen begrijpen
D. De tekst uitgebreid analyseren

Slide 27 - Open vraag

In de eerste les wordt een ervaringscontext aangebracht door bijvoorbeeld iets te laten zien, doen, luisteren of ervaren. Dit helpt leerlingen voorkennis op te bouwen waardoor ze de tekst in de tweede les beter kunnen begrijpen.
Een leerling blijft moeite houden met een opdracht. De leraar stelt vragen als: “Wat weet je al over dit onderwerp?” en “Wat lukt al wel?”. In welke stap van het scaffoldingproces bevindt de leraar zich vooral?

A. Begripscheck uitvoeren
B. Probleemdiagnose checken
C. Hulpstrategieën inzetten
D. Probleemdiagnose bepalen

Slide 28 - Open vraag

De leraar probeert te achterhalen wat de leerling al weet en kan en waar het probleem ligt. Dit hoort bij probleemdiagnose bepalen, de eerste stap van scaffolding.
De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Hoe je aan de slag kunt gaan met allerlei MTV-werkvormen.
  • Hoe je feedback geeft op de mondelinge taalvaardigheid van kinderen.

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies