Week 37

Wat weet je al over lidwoorden in het Duits?
1 / 32
volgende
Slide 1: Woordweb
DuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat weet je al over lidwoorden in het Duits?

Slide 1 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Die
Die wordt gebruikt voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld: die Frau (de vrouw), die Katze (de kat).

Slide 2 - Tekstslide

Laat voorbeelden zien van vrouwelijke zelfstandige naamwoorden en leg uit wanneer het lidwoord die gebruikt moet worden.
Was machen wir heute
Hoe langer jullie kletsen hoe langer jullie hier zitten :))))))))

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Guten Morgen liebe Schüler 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn lidwoorden?
Lidwoorden zijn woorden die worden gebruikt om een zelfstandig naamwoord te bepalen. In het Duits zijn er drie lidwoorden: der, die en das.

Slide 5 - Tekstslide

Leg uit wat lidwoorden zijn en introduceer de drie lidwoorden in het Duits.
Der
Der wordt gebruikt voor mannelijke zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld: der Mann (de man), der Hund (de hond).

Slide 6 - Tekstslide

Laat voorbeelden zien van mannelijke zelfstandige naamwoorden en leg uit wanneer het lidwoord der gebruikt moet worden.
Das
Das wordt gebruikt voor onzijdige zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld: das Haus (het huis), das Kind (het kind).

Slide 7 - Tekstslide

Laat voorbeelden zien van onzijdige zelfstandige naamwoorden en leg uit wanneer het lidwoord das gebruikt moet worden.
Oefening 1
Welk lidwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord? 
D ___ (Hund).

Slide 8 - Tekstslide

Geef de studenten een oefening om te laten zien dat ze begrijpen wanneer een bepaald lidwoord gebruikt moet worden.
Meervoud
In het Duits hebben zelfstandige naamwoorden een mannelijke, vrouwelijke of onzijdige vorm in het enkelvoud. In het meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden het lidwoord die.

Slide 9 - Tekstslide

Leg uit dat in het meervoud alle zelfstandige naamwoorden als vrouwelijk worden behandeld en het lidwoord die krijgen.
Oefening 2
Welk lidwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord in het meervoud? 
D ___ (Hunde /mv

Slide 10 - Tekstslide

Geef de studenten een oefening om te laten zien dat ze begrijpen wanneer het lidwoord die gebruikt moet worden in het meervoud.
Uitzonderingen
Er zijn enkele uitzonderingen waarbij het lidwoord niet overeenkomt met het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: das Mädchen (het meisje) heeft het lidwoord --> das, ondanks dat het een vrouwelijk zelfstandig naamwoord is.

Slide 11 - Tekstslide

Leg uit dat er enkele uitzonderingen zijn waarbij het lidwoord niet overeenkomt met het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
An die Arbeit!
Was?

Schritt 3
+ aftekenen ivm nieuw boek :)
Wie?
In der Klasse, und zur zweit 
Wie lange?
20 Minuten
Hilfe?
Wenn du Hilfe brauchst, benutze die Lernliste!
Fertig?
Zie Werkwijzer
timer
20:00

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herzlich Willkommen!

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Was machen wir heute
- Aussprache
- Sprechen!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe kun je jezelf voostellen in het Duits?

(voorbeeld)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wie stellt man sich vor auf Deutsch?

Je begint met een groet: 

Hallo / Guten Tag 


Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je vertelt hoe oud je bent:

ich bin zwölf/dreizehn/vierzehn Jahre alt 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je vertelt waar je woont:

Ich wohne in ...

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je vertelt waar je vandaan komt:

- Ich komme aus den Niederlanden
- Ich bin in den Niederlanden geboren

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je vertelt wat je hobby's zijn:

1 hobby: mein Hobby ist ....
Meerdere hobby's: meine Hobbys  sind .... 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Enkele voorbeelden
Voetbal= Fußball spielen              gamen= Computerspiele  spielen
Volleybal= Volleyball spielen       tekenen= zeichnen
Korfbal= Korbball spielen             schilderen= malen 
Tennis= Tennis spielen                   gitaar spelen= Gitarre spielen
Paardrijden= reiten                          piano spelen= Klavier spielen
Lezen= lesen                                       uitgaan= Party machen
schrijven= schreiben   met vrienden afspreken= Freunde treffen


Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aufgabe: Stel jezelf voor!

Was (wat)? Stel jezelf voor.
Wie (hoe)? zu zweit/dritt (met z’n tweeën/drieën)
Warum (waarom)? Jezelf voorstellen is het eerste wat je doet als je iemand spreekt

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Guten Tag!

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Was machen wir heute
- Wiederholung Grammatik
- Selbständing arbeiten

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zusammenfassung:
Wanneer een hoofdletter in het Duits?
1: alle zelfstandige naamwoorden (tip: je kunt er der/die/das voorzetten) -->  oftewel: de, het of een
2: aan het begin van de zin
3: bij voornamen en achternamen
4: bij namen van steden en landen
5: Sie (u)

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet met een hoofdletter?
A
werkwoorden en namen
B
werkwoorden en zelfstandige naamwoorden
C
Zelfstandige naamwoorden en namen van mensen/dieren
D
aan het eind van de zin

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wel of geen hoofdletter?
A
der junge
B
der Junge

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wel of geen hoofdletter?
A
das pferd
B
das Pferd

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wel of geen hoofdletter?
A
berlin
B
Berlin

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wel of geen hoofdletter?
A
grün
B
Grün

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden moeten met een hoofdltetter?
Schrijf de woorden over in je schrift. 
anna und max huber haben eine neue wohnung. sie brauchen neue möbel. anna möchte eine neue couch haben. max braucht einen schreibtisch. außerdem wollen anna und max einen teppich und einen vorhang kaufen. bei ikea ist gerade ausverkauf.
viele möbel sind jetzt sehr billig.
am samstag fahren anna und max am vormittag zu ikea.
timer
10:00

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden
Anna und Max Huber haben eine neue Wohnung. Sie brauchen neue Möbel. Anna möchte eine neue Couch haben. Max braucht einen Schreibtisch. außerdem wollen Anna und Max einen Teppich und einen Vorhang kaufen. bei Ikea ist gerade ausverkauf.
Viele Möbel sind jetzt sehr billig.
Am Samstag fahren Anna und Max am Vormittag zu Ikea.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies