Duitse modale werkwoorden: sollen, wollen, dürfen & mögen

Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorDuitsMiddelbare schoolMBOPraktijkonderwijsvmbo k, g, tLeerjaar 2Studiejaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen

Leerdoel

Aan het einde van deze les kun je de werkwoorden wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können en wissen vervoegen en gebruiken in eenvoudige zinnen.

Wat zijn modale werkwoorden?

Modale werkwoorden veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord. Ze geven bijvoorbeeld toestemming, moeten of willen aan.

Wanneer gebruik je sollen en müssen?

müssen betekent er valt nu eenmaal niets aan te doen, het moet nu eenmaal.

sollen betekent dat je iets moet doen, een ander legt het op, bevel, dwang, op advies van iemand anders.

müssen

sollen

Hoe gebruik je dürfen en mögen?

Dürfen betekent mogen of toestemming hebben om iets te doen.

Mögen

Mögen betekent houden van, lusten of aardig vinden.

Dürfen

En dan heb je nog können, wollen en wissen

können betekent in staat zijn of bij machte zijn, beheersen, kunnen.

können

wollen betekent willen (je staat erop dat...).

wollen

wissen

wissen betekent weten.

Voorbeeldzinnen

Er soll lernen. – Hij moet leren.

Ich muß pinkeln. – Ik moet plassen.

Wir dürfen rausgehen. – Wij mogen naar buiten.

Sie mögen Pizza. – Zij lusten pizza.

Ihr könnt gehen. - Jullie kunnen gaan.

Sie wissen das. - U weet dat.

Du willst das Buch. - Jij wilt het boek.




Oefening: vul in

Vul het juiste werkwoord in: 1. Ich ___ ins Kino gehen. (will) 2. Wir ___ nicht laut sein. (dürfen) 3. Du ___ mehr Gemüse essen. (sollen) 4. Sie ___ Schokolade. (mögen)

Reflectie: waar moet je op letten?

Let goed op wie het onderwerp is, want dat bepaalt de vorm van het werkwoord. Kun je alle vier de werkwoorden herkennen in zinnen?

Jullie moeten naar school gaan

A

Ihr müßt zur Schule

B

Sie müssen zur Schule

C

Ihr sollt zur Schule

D

Du mußt zur Schule

Zij mogen winkelen

A

Sie wollen einkaufen

B

Sie können einkaufen

C

Sie mögen einkaufen

D

Sie dürfen einkaufen

Zij vindt taart lekker

A

Sie darf Kuchen

B

Sie mag Kuchen

C

Sie will Kuchen

D

Sie darf Kuchen

Du darfst eine Praline nehmen

A

Jij durft een bonbon te nemen

B

Je kan een bonbon pakken

C

Jij wilt een bonbon nemen

D

Je mag een bonbon nemen

Schrijf op wat je deze les hebt geleerd.