10-4: trappen van vergelijking

Welkom! Leg je boek op blz. 240 
en begin met het lezen van de groene theorie.
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Welkom! Leg je boek op blz. 240 
en begin met het lezen van de groene theorie.

Slide 1 - Tekstslide

Blz. 240: Trappen van vergelijking

Aan het eind van de les kun je de trappen van vergelijking goed gebruiken in combinatie met 'als' en 'dan' en het juiste persoonlijk voornaamwoord.


Slide 2 - Tekstslide

trappen van vergelijking

Slide 3 - Tekstslide

Trappen van vergelijking

Slide 4 - Tekstslide

Uitzondering
Bij enkele woorden zijn
de trappen van vergelijking iets anders.

Kim heeft een oude rolstoel,
maar die rijdt nog goed.

Slide 5 - Tekstslide

Er zijn drie trappen van vergelijking: de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap.


A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quizvraag

Hieronder staan trappen van vergelijking. Vul elke trap van vergelijking aan.
1 … - bozer - …
2 goed - … - …


A
boos, boost, goeder, goedst
B
boos, boost, beste, best
C
boos, boost, beter, best
D
boos, boost, beter, goedst

Slide 7 - Quizvraag

Slide 8 - Video

Als/dan
Gebruik dan:
- bij een vergrotende (of 'verkleinende') trap: meer dan, kleiner dan, mooier dan
- bij 'ander, andere en anders': het is anders dan ik dacht.

Gebruik als:
- bij 'net zo en even': net zo groot als, even mooi als
- bij 'niet zo': niet zo groot als
- bij 'drie keer, vier keer zo': vier keer zo groot als..

Slide 9 - Tekstslide

DE FOUTJES
  1. Lisa is jonger als mij.
  2. Gebruik 'dan' en 'als' niet door elkaar. 'Dan' komt altijd na een vergrotende trap.
  3. Lisa is jonger dan ik (ben).

Slide 10 - Tekstslide

Vandaag ben ik even slim als/ dan hem/ hij.
A
als en hem
B
als en hij
C
dan en hem
D
dan en hij

Slide 11 - Quizvraag

Check

Heb je de lesdoelen behaald?


-Weet je wat de trappen van vergelijking zijn?

-Weet je wanneer je 'dan' gebruikt?

-Weet je wanneer je 'als' gebruikt?

Als je het fijn vindt, hebben we nog 1x de uitleg in het volgende filmpje:

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Maken/huiswerk
Blz. 240 en 241: Opdracht 1 t/m 4.

Dus alles bij elkaar:
Blz. 224 en 225: opdracht 1, 2 en 3.
Blz. 240 en 241: opdracht 1 t/m 4.

Slide 14 - Tekstslide