pp-T4-Impulsgeleiding-overdracht


Blz. 293

Impulsgeleiding - Impulsoverdracht

LEF 4

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappij en welzijnSecundair onderwijs

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les


Blz. 293

Impulsgeleiding - Impulsoverdracht

LEF 4

Wat zijn receptoren?

A

Ze geven impulsen door naar spieren

B

Ze zetten prikkels om in impulsen

C

Ze versterken elektrische signalen

D

Ze maken neurotransmitters aan


Blz. 298

LEF 4

Kenmerken IMPULSGELEIDING:

  1. Elektrisch van aard

  2. Verloopt altijd in één richting

  3. Impuls wordt opgevangen door dendrieten, gaat vervolgens via cellichaam naar axon en eindigt in de eindknoopjes

  4. Actiepotentiaal is overal hetzelfde

  5. Impulsfrequentie neemt toe bij sterke prikkels


Blz. 302

LEF 4



Kenmerken IMPULSOVERDRACHT:

  • Is een chemische impuls (met neurotransmitters)

  • Tussen neuronen verloopt altijd in 1 richting

  • De hoeveelheid neurotransmitters bepaalt de sterkte van de prikkel.

  • Neurotransmitters worden afgebroken OF weer opgenomen voor hergebruik door het neuron dat hen produceerde.

Impulsgeleiding binnen een zenuwcel is elektrisch,
terwijl een impulsoverdracht tussen zenuwcellen chemisch is.

In welke volgorde verloopt de impulsgeleiding in een neuron?

A

Axon → dendriet → cellichaam → eindknoopjes

B

Cellichaam → dendriet → axon → eindknoopjes

C

Dendriet → cellichaam → axon → eindknoopjes

D

Dendriet → axon → cellichaam → eindknoopjes

Hoeveel fasen heeft impulsgeleiding?

A

2

B

3

C

4

D

5


Blz. 302

LEF 4

IMPULSOVERDRACHT bestaat uit drie stappen:

STAP 1: De elektrische impuls bereikt het eindknopje met blaasjes gevuld met neurotransmitters.
De neurotransmitters komen vrij.

STAP 2: De neurotransmitters bewegen door de synaptische spleet.

STAP 3: De neurotransmitters binden zich aan de membraanreceptoren met specifieke receptoren (van de dendrieten). Er wordt een nieuwe elektrische impuls aangemaakt naar de volgende neuron of wordt een klier of spier geactiveerd.


Wat gebeurt er tijdens de actiefase (actiepotentiaal)?

A

De binnenkant van het axon is negatief geladen

B

De impuls wordt chemisch doorgegeven

C

Positieve ionen stromen het axon uit

D

Positieve ionen stromen het axon binnen

Welke factor beïnvloedt de snelheid van impulsgeleiding?

A

De dikte van het axon en de myelineschede

B

De grootte van het cellichaam

C

De lengte van de dendrieten

D

De hoeveelheid neurotransmitters

Wat is correct over een sterke en een zwakke prikkel?

A

Een sterke prikkel heeft een grotere actiepotentiaal

B

Een zwakke prikkel heeft geen actiepotentiaal

C

Beide hebben dezelfde actiepotentiaal

D

Alleen een sterke prikkel veroorzaakt een impuls

Wat bepaalt het verschil tussen een sterke en een zwakke prikkel?

A

De richting van de impuls

B

De impulsfrequentie

C

De grootte van het axon

D

De herstelfase ontbreekt bij een sterke prikkel

Waar vindt de overschakeling van sensorische naar motorische neuronen plaats bij een reflex?

A

In de grote hersenen

B

In de kleine hersenen

C

In het ruggenmerg of de hersenstam

D

In de spieren

Tot welk zenuwstelsel behoren reflexen?

A

Het autonome zenuwstelsel

B

Het animale zenuwstelsel

C

Het perifere zenuwstelsel

D

Het centrale zenuwstelsel


Blz. 304

LEF 4

Wat is het belangrijkste verschil tussen een reflex en een gewilde beweging?

A

Reflexen zijn sneller

B

Gewilde bewegingen gebruiken geen neuronen

C

Reflexen verlopen via de spieren

D

Gewilde bewegingen zijn altijd onbewust


Blz. 306

LEF 4


Blz. 307

LEF 4

  • Reflexen zijn een onwillekeurige reactie op een prikkel.

  • Reflexen vallen onder het autonome zenuwstelsel.

  • Reflexen verlopen heel snel. De overschakeling van sensorische naar motorische neuronen gebeurt in het reflexcentrum (het ruggenmerg of de hersenstam) zonder eerst naar de grote hersenen te gaan.

  • Vaak ben je je pas bewust van de reactie als er al een actie in de effectoren heeft plaatsgevonden

  • De reflexboog is de weg die impulsen afleggen van de receptor tot aan de effector:

    • De receptor vangt de prikkel op en zet die om in een impuls.

    • De sensorische neuronen geleiden de impuls naar het ruggenmerg of de hersenstam.

    • Vanuit het ruggenmerg of de hersenstam wordt de impuls via de motorische neuronen naar de effectoren gestuurd.


Blz. 309

LEF 4

Hoe verloopt de werking van een gewilde beweging?

  • Gewilde of bewuste bewegingen worden aangestuurd vanuit het animale zenuwstelsel.

  • Bij een gewilde beweging gebeurt de overschakeling van de sensorische naar motorische neuronen in de grote hersenen.

  • De impulsen worden eerst verwerkt in de grote hersenen voor er een reactie plaatsvindt.

    • Bewuste bewegingen van het hoofd, de hals en de nek verlopen via de hersenstam en de hersenen. De receptoren vangen de prikkel op en zetten die om in een impuls. Via de sensorische zenuwcellen wordt de impuls geleid naar de hersenstam. Schakelzenuwcellen geleiden de impuls verder naar de centra in de hersenen die de impuls verwerken. Schakelzenuwcellen brengen de impuls via het ruggenmerg naar de motorische zenuwcellen die de effectoren activeren.

    • Bewuste bewegingen van de romp verlopen via het ruggenmerg en de hersenen. De receptoren vangen de prikkel op en zetten die om in een impuls. Via de sensorische zenuwcellen wordt de impuls geleid naar het ruggenmerg. Schakelzenuwcellen geleiden de impuls verder naar de centra in de hersenen die de impuls verwerken. Schakelzenuwcellen brengen de impuls via het ruggenmerg naar de motorische zenuwcellen die de effectoren activeren.