Klas 2 Spelling extra les

Extra les spelling
vmbo 2

1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Extra les spelling
vmbo 2

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen

  • Je weet wat sterke en zwakke werkwoorden zijn en hoe je deze in de vt moet spellen
  • Je kunt het voltooid deelwoord spellen
  • Je kunt een bijvoeglijk naamwoord spellen dat van een voltooid deelwoord is gemaakt.
  • Je weet wanneer je in een samenstelling een tussen-s of tussen-n moet schrijven.

Slide 2 - Tekstslide

De persoonsvorm in de verleden tijd
Er bestaan sterke en zwakke werkwoorden.
Bij sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd (vt):

zij loopt – hij liep

Bij zwakke werkwoorden komt er -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm in de vt:

ik bel – wij belden, ik fiets – jullie fietsten

Slide 3 - Tekstslide

Sterke werkwoorden
Sterk om van klank te veranderen in de verleden tijd.

eten -aten-gegeten
springen-sprong-gesprongen
vliegen-vlogen-gevlogen
snijden-sneden-gesneden

Welke uitgang?
Kijk naar verleden tijd MV. Je hoort dan een -t of -d


Slide 4 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden 
Schrijf -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm.  T eX KoSCHiP
Ja-> te(n)
Nee-> de(n)

• Schrijf bij d-werkwoorden en t-werkwoorden in de verleden tijd twee -d’s of -t’s (ook al hoor je die niet).
• Schrijf de verleden tijd van z-werkwoorden met -de(n)
(reizen – ik reis – ik reisde).
• Schrijf de verleden tijd van v-werkwoorden met -de(n)
(durven – ik durf – ik durfde).

Slide 5 - Tekstslide

Oefenen
Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.
1 (blijven) Hij .................tot het einde van de avond.
2 (hopen) Ik ...............de hele tijd dat hij nog kwam.
3 (smelten) Het ijsje ................in de zon.
4 (gebruiken) Ik ..............de iPad van mijn zus.
5 (schilderen) De buurman ..................de schutting.
6 (leiden) De inbraak................... tot veel angst in de buurt.

Slide 6 - Tekstslide

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(leiden) De inbraak................... tot veel angst in de buurt.
A
leidt
B
leed
C
leidde
D
leide

Slide 7 - Quizvraag

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(schilderen) De buurman ..................de schutting.
A
schilderte
B
schilderde
C
schildert
D
schilderdde

Slide 8 - Quizvraag

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(gebruiken) Ik ..............de iPad van mijn zus.
A
gebruikte
B
gebruik
C
gebruikde
D
gebruiktte

Slide 9 - Quizvraag

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(smelten) Het ijsje ................in de zon.
A
smelte
B
smolt
C
smelde
D
smelt

Slide 10 - Quizvraag

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(hopen) Ik ...............de hele tijd dat hij nog kwam.
A
hoopde
B
hoopte
C
hoop
D
hoopten

Slide 11 - Quizvraag

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd in de zin.

(blijven) Hij .................tot het einde van de avond.
A
blijfde
B
blijfte
C
bleef

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Voltooid deelwoord

Veel voltooid deelwoorden beginnen met ge-.  Als het werkwoord zelf al begint met -ge of het begint met be-, her-, ver of ont-, dan kom er geen ge- voor.
Een voltooid deelwoord gaat bijna altijd samen met de persoonsvorm hebben, zijn of worden.
Voorbeeld
Wij hebben gisteren uitgeslapen.
De leerlingen hebben hard gewerkt.

Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord eindigt op een -d of een -t.
Als je twijfelt of het een ¬-d of een -t moet zijn, kun je het voltooid deelwoord langer maken. Bijvoorbeeld: voeren – gevoerd – gevoerde

Slide 14 - Tekstslide

voltooid deelwoord op -ge
lenen
Ik heb
praten
Ik heb
gebruiken
Ik heb
fietsen
Ik heb
haken
Ik heb
klemmen
Ik heb

Slide 15 - Tekstslide

vd met -ver, -ont, be, her- op -ge
vertellen
Ik heb
ontdekken
Ik heb
belonen
Ik heb
herhalen
Ik heb
betalen
Ik heb
Ik heb

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Oefenen
Is het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) of het voltooid deelwoord (vd)?

1 Wat is er vandaag gebeurd met jou?                  pv / vd
2 Je bent zo vrolijk. Dat gebeurt niet vaak!         pv / vd
3 Mijn oma betaalt mijn nieuwe laptop!               pv / vd
4 Ze heeft ook al mijn mobiel betaald.                  pv / vd

Slide 18 - Tekstslide

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) of het voltooid deelwoord (vd)?

Ze heeft ook al mijn mobiel BETAALD.
A
pv
B
vd

Slide 19 - Quizvraag

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) of het voltooid deelwoord (vd)?

Je bent zo vrolijk. Dat GEBEURT niet vaak!
A
pv
B
vd

Slide 20 - Quizvraag

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) of het voltooid deelwoord (vd)?

Mijn oma BETAALT mijn nieuwe laptop!
A
pv
B
vd

Slide 21 - Quizvraag

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm (pv) of het voltooid deelwoord (vd)?

1 Wat is er vandaag GEBEURD met jou?
A
pv
B
vd

Slide 22 - Quizvraag

Oefenen
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Kijk steeds of je een pv of een vd moet maken.

1  vertellen (pv)        Mijn moeder..................over de film.
2   ontvoeren (vd)    In de film wordt een meisje......................
3  herstellen (vd)     Ze is.............................. van een ziekte.
4  vertellen (vd)        Dit heb ik jou gisteren al........................
5  geloven (vd)          Anders had jij dat vast allemaal.......................


Slide 23 - Tekstslide

Oefenen
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Bedenk steeds of je een pv of een vd moet maken!

1 betalen          Tycho......................Micks broodje.
2 gebeuren      Dat is al zo vaak......................!                             !
3 vertellen        Dat heeft Tycho zelf aan Mick............................
4 geloven          Maar Mick ................................het niet.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

hele werkwoord
voltooid deelwoord
bijvoeglijk naamwoord
beschermen
beschermd
de beschermde dieren
maken
gemaakt
de                                 afspraak
sluiten
de                                    deur
leren
de                                    vrouw

Slide 27 - Tekstslide

Maak een bijvoeglijk naamwoord van het gegeven werkwoord.

1 aflopen                     Het ...................weekend hebben we een feest gehad.
2 haten                        Er was muziek uit de top 10 van meest ....................liedjes.
3 verlichten               Het feest was in een fel ...........................ruimte.
4 bederven                Het eten bestond uit .........................pinda’s.
5 mislukken               Kortom: het was het meest.................feest allertijden.

Slide 28 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord eindigt bijna altijd op een -e.

  • de mooie koe
  • het dikke varken
  • het mooie meisje
Uitzonderingen:
Een bijvoeglijk naamwoord krijgt geen -e als het zelfstandig naamwoord een het-woord is en er 'een' voor staat. 
  • het lieve meisje - een lief meisje
  • de leuke jongen - een leuke jongen
  • de mooie tuin - een mooie tuin








Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Afronden
3.5 Spelling (alle opdrachten)
Test jezelf + oefentoets
4.5 Spelling (alle opdrachten)
Test jezelf + oefentoets

Slide 31 - Tekstslide