ZWK_P11_Les 2 Kostensoorten

Zelfstudieles
Les 2 Kostensoorten
Zelfstudie ZWK P11
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
KokMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Zelfstudieles
Les 2 Kostensoorten
Zelfstudie ZWK P11

Slide 1 - Tekstslide

Zelfstudieles
Beste student
Welkom bij de zelfstudieles voor periode 11. In de aankomende weken gaan we de theorie behandelen die hoort bij het examen P2K1
'Vernieuwt en verbetert de dienstverlening van de keuken' 

Lees de teksten, bekijk de video's en maak de opdrachten.
Je maakt gebruik van HRP8 'keukenorganisatie'
Vragen? Neem contact op met je docent.

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les; 
  • Kan de student uitleggen aan de hand van een voorbeeld waarom de ondernemer op de hoogte moet zijn van de bedrijfskosten.
  • Kan de student de zes hoofdgroepen van bedrijfskosten benoemen.
  • Kan de student uitleggen wat het verband is tussen kostprijscalculatie en bedrijfskosten

Slide 3 - Tekstslide

Zelfstudieles
Begrippen
Schrijf de volgende begrippen op papier en noteer tijdens de les omschrijving
  • 6 kostensoorten
  • Directe kosten
  • Indirecte kosten
  • Constante kosten
  • Variabele kosten
  • Kostprijscalculatie

Slide 4 - Tekstslide

Benoem zoveel mogelijk kosten waar
een horecabedrijf mee te maken krijgt!

Slide 5 - Woordweb

Waarom is kennis van kostensoorten nodig?

Slide 6 - Open vraag

Waarom is kennis van kostensoorten nodig ?
Zodat je juist kunt berekenen wat de kosten van een product of dienst zodat je:
  • weet waar je geld naartoe gaat
  • kunt vergelijken met concurrenten
  • kunt bijsturen op onderdelen van het proces
  • tot een 'goede' verkoopprijs kunt komen

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Wat zijn bedrijfskosten?

Slide 9 - Woordweb

6 Bedrijfskosten zijn:
  • Kosten van grondstoffen en hulpstoffen (inkoop)
  • Vestigingskosten (Huur/hypotheek)
  • Personeelskosten (Loon)
  • Energiekosten (Stroom/warmte) 
  • Afschrijvingskosten (Aankoop, onderhoud)
  • Verzekering

Slide 10 - Tekstslide

Bekijk de afbeeldingen. Over welk soort kosten gaat het?
Sleep de kostensoorten naar de juiste afbeeldingen. 
Verzekeringskosten
Afschrijvingskosten
Personeelskosten
Vestigingskosten

Slide 11 - Sleepvraag

Kosten van grondstoffen en hulpstoffen 
Ook wel inkoop of inslag
Inslag is de inkoopwaarde van alles wat je hebt gebruikt bij het bereiden van een gerecht.
De kosten van grondstoffen en hulpstoffen zijn direct verbonden aan de producten die je verkoopt
Welk gerecht zou jij maken van de grond en hulpstoffen die je op de afbeelding ziet?
Grondstoffen zijn productiemiddelen die opgaan in een nieuw product zoals tarwe gebruikt voor brood.

Hulpstoffen zijn middelen die nodig zijn voor de productie maar geen onderdeel van het nieuwe product worden.
Het verschil tussen grond- en hulpstoffen wordt gemaakt aan de hand van de aanwezigheid van de stof in het (eind)product.

Grondstof: Pasta
Hulpstof: het water om de pasta in de koken

Slide 12 - Tekstslide

Geef een voorbeeld van een gerecht.
Benoem daarbij 2 voorbeelden van grondstoffen en 2 voorbeelden hulpstoffen die in het gerecht verwerkt zitten.

Slide 13 - Open vraag

Vestigingskosten 
Een horecabedrijf heeft voor de productie en uitgifte  van gerechten en het ontvangen van gasten een geschikte ruimte nodig. 

Hier zijn kosten aan verbonden. Denk aan het betalen van huur of rente en afschrijving die verbonden zijn aan een hypotheek.

Over het algemeen zijn dit maandelijkse vaste kosten, veelal hetzelfde bedrag.

Welk bedrijf heeft de hoogste vestigingskosten?
Sleep de raket op je antwoord.

Slide 14 - Sleepvraag

Personeelskosten 
  • Vaak een van de grootste kostenpost voor een bedrijf
  • Gerelateerd aan service en ambacht

Slide 15 - Tekstslide

Energiekosten 
  • Verwarming van de productieruimten
  • Energiegebruik tijdens productie
  • Verlichting
  • Koelkasten werken ook in de nacht

Slide 16 - Tekstslide

Hoe kan je de energiekosten zo laag mogelijk houden? Schrijf minimaal bespaartips op voor een restaurant.

Slide 17 - Woordweb

Afschrijvingskosten 
Horeca bedrijven kopen apparatuur en houden rekening met een verwachte gebruiksduur. Dit zijn kosten ten gevolge van waardevermindering van duurzame productiemiddelen.
Afschrijvingskosten = (nieuwwaarde – restwaarde) : levensduur


Bijvoorbeeld een koelkast gaat 10 jaar mee. 
Dan worden de aanschafkosten verdeeld over 10 jaar.
  • Aanschaf is 10.000 euro
  • Na 10 jaar is de koelkast nog 1000 euro waard
  • 10.000-1000= 9000 euro waardevermindering
  • 9000 gedeeld door 10 jaar is 900 euro per jaar afschrijving. 

Slide 18 - Tekstslide

Verzekering
  • Opstal (bedrijfspand)
  • Verzekering inventaris
  • Personeel (bedrijfsongeluk, ziekteverzuim)
  • Inventaris- of goederenverzekering
  • Rechtsbijstandverzekering
  • Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor de ondernemer
  • Geldverzekering (diefstal, beroving of verlies van kasgeld, maar ook inbreng van vals geld)

Slide 19 - Tekstslide

Directe kosten ][ Indirecte kosten
Staan direct in verband met een bepaalde afdeling
  • Grondstoffen
  • Loonkosten koks/bediening
  • Verpakking
  • Servies/glaswerk
Worden gemaakt door de totale onderneming
  • Vestigingskosten
  • Loon ondernemer
  • Verwarming bedrijfspand

Slide 20 - Tekstslide

Constante kosten    Variabele kosten
Kosten die niet afhankelijk zijn van de omzet van de onderneming. (vaste kosten)

Kosten die afhankelijk zijn van de grootte van de omzet van de onderneming.

De huur van een pand blijft gelijk. Het maakt niet uit hoe druk het is.

Verkoop je veel gerechten, dan het je ook veel inkoopkosten.

Slide 21 - Tekstslide

Kostprijscalculatie
De vaststelling van de prijs voor de ondernemer van het te verkopen product.
In de horeca wordt daar meestal een vast percentage voor gebruikt. 

In de video op de volgende slide wordt uitgelegd hoe je een standaard kostprijs kunt berekenen. 

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Waarom moet de horecaondernemer op de hoogte zijn van de bedrijfskosten?
Ondersteun je antwoord met een voorbeeld.

Slide 25 - Open vraag

Wat zijn de 6 kostensoorten voor een horeca ondernemer?

Slide 26 - Open vraag

Wat is het verband is tussen kostprijscalculatie en bedrijfskosten

Slide 27 - Open vraag

De huur van een horecabedrijf valt onder...
A
Constante kosten
B
Variabele kosten

Slide 28 - Quizvraag

De inkoop van grondstoffen valt onder...
A
Constante kosten
B
Variabele kosten

Slide 29 - Quizvraag

De loonkosten van oproepkrachten valt onder..
A
Constante kosten
B
Variabele kosten

Slide 30 - Quizvraag

De loonkosten van de chefkok valt onder..
A
Constante kosten
B
Variabele kosten

Slide 31 - Quizvraag

De loonkosten van de eigenaar valt onder..
A
Directe kosten
B
Indirecte kosten

Slide 32 - Quizvraag

De inkoop van grondstoffen valt onder...
A
Directe kosten
B
Indirecte kosten

Slide 33 - Quizvraag

De huur van een horecabedrijf valt onder...
A
Directe kosten
B
Indirecte kosten

Slide 34 - Quizvraag

Lesdoelen behaald? Check jezelf
Aan het einde van de les; 
  • Kan de student uitleggen aan de hand van een voorbeeld waarom de ondernemer op de hoogte moet zijn van de bedrijfskosten.
  • Kan de student de zes hoofdgroepen van bedrijfskosten benoemen.
  • Kan de student uitleggen wat het verband is tussen kostprijscalculatie en bedrijfskosten

Slide 35 - Tekstslide

Benoem 3 punten die je geleerd hebt tijdens het doorlopen van deze les.

Slide 36 - Open vraag

Bedankt voor het doorlopen van deze online les. Heb je op dit moment nog een vraag over de les?

Slide 37 - Open vraag

Wat vond je goed aan deze les?

Slide 38 - Open vraag

Hoe ervaar je deze online lessen? Druk je gevoel uit met een emoji.
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll