cross

Woordsoortbenoeming Blok 1 en 2 - Les 1 - L2HB L2AA

Woordsoortbenoeming 
Blok 1 en 2
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandshavoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woordsoortbenoeming 
Blok 1 en 2

Slide 1 - Tekstslide

Doel van de les:
Havo:
- Je kan de  volgende woordsoorten benoemen: lidwoord, zelfstandig nw, bijv.nw, voorzetsel, persoonlijk vnw, bezittelijk vwn, wedekerend vnw, wederkerig vwn.

Vwo:
- Je kan de volgende woordsoorten benoemen: lidwoord, zelfstandig nw, bijv.nw, voorzetsel, persoonlijk vnw, hulp ww, zelfstandig ww, bezittelijk vwn, wedekerend vnw, wederkerig vwn, vragend vnw, aanwijzende vnw, betrekkelijk vnw, onbepaalde vnw.
Je gaat:
Havo:
- je gaat een poster maken waarop je de verschillende  woordsoorten gaat uitleggen.
- de verschillende woordsoorten benoemen in een zin.

Vwo:
- je gaat een poster maken waarop je de verschillende woordsoorten gaat uitleggen.
- de verschillende woordsoorten benoemen in een zin.

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht
Je gaat alle woordsoorten die staan in blok 1 & 2 van grammatica uitleggen op een poster. 
De uitleg van die woordsoorten staan in de gele kaders. 

Maak de uitleg beknopt en zo overzichtelijk mogelijk.
Werk in tweetallen.

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht havo
Maak met behulp van de poster de volgende opdrachten uit het boek:

- blok 1, opdracht 10, benoem ook de andere woordsoorten in die zinnen.
- blok 1, opdracht 11
- blok 2, opdracht 8
- blok 2, opdracht 10: schrijf de zinnen over en benoem alle woorden.
- blok 2, opdracht 13
oefenen voor de toets: cambiumned.nl

Opdracht vwo
Maak met behulp van de poster de volgende opdrachten uit het boek:

- blok 1, opdracht 10
- blok 1, opdracht 13
- blok 1, opdracht 16
- blok 2, opdracht 9
- blok 2,  opdracht 12

oefenen voor de toets: cambiumned.nl

Slide 4 - Tekstslide

Benoem de woordsoorten in de volgende zinnen
1. Aan het begin van het schooljaar krijg je een enorme stapel boeken naar huis gestuurd.

2. De andere helft belandt onder een grote berg kleren.

Slide 5 - Tekstslide

Lidwoord
De, het, een

Slide 6 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord
Naam van mensen, dieren, dingen, plaatsen.

Je kan er een lidwoord voorzetten.

De stoel.  Jeroen is jarig. De jarige is te laat. 

Slide 7 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Voegt iets bij .
Geeft extra informatie over het zelfstandige naamwoord. Staat voor het zelfstandige naamwoord.

De mooie stoel. 

Slide 8 - Tekstslide

Voorzetsel
Denk aan kast: in, op, voor, naast, onder, achter, ....enz.

Denk aan feest: naar, tijdens.

Slide 9 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
Verwijst naar een persoon, groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.

Onderwerpsvorm: ik, jij (je), u, hij, zij (ze), het, wij, jullie , zij (ze)
Voorwerpsvorm: mij (me), jou (je), u, hem, haar, het, ons, jullie, hun, hun, ze.

Slide 10 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord
Geeft een bezit aan. Het kan bijvoeglijk of zelfstandig in een zin voorkomen.
Heb je zijn  aantekeningen? (bijvoeglijk)
Je kunt beter de hare gebruiken. (zelfstandig)

Bijvoeglijk: mijn, jouw (je), uw, zijn, haar, onze, ons, jullie, uw, hun.
Zelfstandig: de mijne, de jouwe, de uwe, de zijne, de hare, de onze, de uwe, de hunne. (Het lidwoord benoem je niet als bezittelijk vnw.)

Slide 11 - Tekstslide

Wederkerend voornaamwoord
Komt alleen voor met een wederkerend werkwoord.
Het woordje keert weder: slaat terug op de persoon voor het werkwoord.

Ik vergis me. Hij vergist zich.

me, je, u (zich), zich, ons, je, u (zich), zich.

Slide 12 - Tekstslide

Wederkerig voornaamwoord
Elkaar

Slide 13 - Tekstslide

Hulpwerkwoord (vwo)
Geeft geen handeling aan in de zin. Het helpt het zelfstandig werkwoord.

Slide 14 - Tekstslide

Zelfstandig werkwoord (vwo)
Geeft aan wat er wordt gedaan. Geeft de handeling aan in de zin.
Er staat altijd maar 1 zelfstandig werkwoord in de zin.

Slide 15 - Tekstslide

Vragende voornaamwoorden (vwo)
wie, wat, welke en wat voor (een)

Staan meestal aan het begin van een vragende zin.
Zo niet, maak er dan een vragende zin van met het vragende voornaamwoord vooraan in de zin. 

Slide 16 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord (vwo)
Wijst iets of iemand aan. 

Deze, dit, die en dat.

Slide 17 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord (vwo)
Verwijst terug naar een woord of woordgroepje dat er vlak voor staat. Zo'n woordgroepje noem je het antecedent. 

Die, dat, wat en wie.

De muziek die jij op je telefoon hebt gedownload, vind ik erg mooi. 

Slide 18 - Tekstslide

Onbepaald voornaamwoord (vwo)
Verwijst vaag naar iets of iemand. 
Iets, niets, niemand, iemand, alles, men, wat (=iets), elke, ieder(een).

Slide 19 - Tekstslide

Benoem de woordsoorten in de volgende zinnen.
Wie zullen die opdracht voor Engels inleveren?

Die spijkerbroek is van mijn broer geweest.


Slide 20 - Tekstslide