B1 Les 13 en 14 (bijv. nw + zlfs. nw)

Planning 

Terugblik naar de vorige les
Uitleg over bijvoeglijke naamwoorden
Aan het werk! 

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Planning 

Terugblik naar de vorige les
Uitleg over bijvoeglijke naamwoorden
Aan het werk! 

Slide 1 - Tekstslide

Zelfstandige naamwoorden

Slide 2 - Tekstslide

Zelfstandige naamwoorden
- Een persoon, dier of ding: 'Max Verstappen, Amsterdam, BMW'
- Een woord waar je een lidwoord voor kunt zetten: 'de strafschop', 'het stoeltje', 'een hond'

Lidwoorden: zijn er 3
- de: de school, de fiets, de vaas, de kat, de fles
- het: het lokaal, het dreigement, het tafelblad, het fietsenhok, het litteken
- een: deze kun je in plaats van 'de' of 'het' zetten: 'een school, een lokaal, een vaas, een litteken



Slide 3 - Tekstslide

Zelfstandige naamwoorden


  • Een persoon, dier of ding
  • Een woord waar je een lidwoord voor kunt zetten: 'de strafschop', 'het stoeltje', 'een hond'

Slide 4 - Tekstslide

Wat is het z.n.w.: 'Anne heeft negen puppy's gekregen'.
A
Anne
B
heeft
C
negen
D
puppy's

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het z.n.w.: 'Overmorgen gaan we zwemmen met onze buren'
A
Overmorgen
B
gaan
C
zwemmen
D
buren

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het z.n.w.: 'Wat een prachtige kat heb jij!'
A
wat
B
prachtige
C
kat
D
jij

Slide 7 - Quizvraag

Bijvoeglijke naamwoorden

Slide 8 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden 
Bijvoeglijke naamwoorden zeggen iets over een zelfstandig naamwoord

Een mooie dag
Een rode trui
De grote hond
De hete thee

Alle rode woorden zeggen iets over het zelfstandig naamwoord daarna


Slide 9 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden

Let op: stof of materiaal (bijv. hout, goud, ijzer)
het ijzeren hek + en
de katoenen jas + en

Slide 10 - Tekstslide

Wat is het z.n.w.: 'Wat een prachtige kat heb jij!'
A
wat
B
prachtige
C
kat
D
jij

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het z.n.w.: 'Die blauwste trui staat je wel!'
A
Die
B
blauwste
C
trui
D
wel

Slide 12 - Quizvraag

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de volgende zin: 'Op onze website vindt u uitgebreide informatie over de activiteiten.'

Slide 13 - Open vraag

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de volgende zin: 'Wij verkopen alleen groene stroom'

Slide 14 - Open vraag

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de volgende zin: 'Probeer nu onze heerlijke hamburgers'

Slide 15 - Open vraag

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de volgende zin: 'traditionele gerechten uit Indonesië'

Slide 16 - Open vraag

Noteer de bijvoeglijke naamwoorden uit de volgende zin: 'Kom naar de feestelijke opening van ons restaurant'

Slide 17 - Open vraag

Trappen van vergelijking
Stellende trap:
mooi, boos, gezellig

Vergrotende trap:
mooier, bozer, gezelliger

Overtreffende trap:
Mooist, boost, gezelligst

Slide 18 - Tekstslide

Jij bent als mooist verkleed vandaag!
A
Stellende trap
B
vergrotende trap
C
overtreffende trap

Slide 19 - Quizvraag

Zij was sneller klaar dan ik.
A
Stellende trap
B
vergrotende trap
C
overtreffende trap

Slide 20 - Quizvraag

Joost en ik zijn even oud.
A
Stellende trap
B
vergrotende trap
C
overtreffende trap

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

Aan het werk!

Maken: les 14 opdr. 1 t/m 10

Slide 23 - Tekstslide