Les 46 bladzijde 124 en 125

Hoe gaat het me je?
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ
1 / 40
volgende
Slide 1: Poll
NT2ISK

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoe gaat het me je?
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ

Slide 1 - Poll

Wat hebben we vorige les geleerd?

Slide 2 - Woordweb

Vorige les
En, maar, want of

Slide 3 - Tekstslide

En, maar
1. Ahmed zit huiswerk te maken en Mustafa kijkt tv.
2. Ahmed zit huiswerk te maken maar Mustafa kijkt tv.

Maar geeft een tegenstelling aan.

Slide 4 - Tekstslide

Of, want
1. Drink je koffie of liever thee?
2. Ik drink thee, want ik vind koffie niet lekker.

Of: keuze
Want: reden

Slide 5 - Tekstslide

Vandaag: omdat, als
Doel: we maken zinnen met omdat en als.
We passen de juiste zinsbouw toe.

Slide 6 - Tekstslide

Les 46 
bladzijde 124 en 125
"omdat, als"

Slide 7 - Tekstslide

Let op: bij omdat komt het ww achteraan:
- Ik ga naar de tandarts want ik heb kiespijn.
- Ik ga naar de tandarts omdat ik kiespijn heb.

Slide 8 - Tekstslide

Oefening 1
Maak van 2 zinnen 1 zin. Begin steeds met de eerste.
timer
5:00

Slide 9 - Tekstslide

Heb jij oefening 1 af?
A
ja
B
nee

Slide 10 - Quizvraag

1. Ik ga met je mee. Jij vindt dat leuk. (als)

Slide 11 - Open vraag

2. We waren blij. We mochten naar huis. (omdat)

Slide 12 - Open vraag

3. Ik ga een brommer kopen. Ik heb genoeg geld gespaard. (want)

Slide 13 - Open vraag

4. Alle fans juichen. Ajax maakt een doelpunt. (als)

Slide 14 - Open vraag

5. Er is geen les. De docent is ziek. (omdat)

Slide 15 - Open vraag

6. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (want)

Slide 16 - Open vraag

7. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (als)

Slide 17 - Open vraag

8. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (omdat)

Slide 18 - Open vraag

Oefening 2.
Draai nu bovenstaande zinnen om en begin met het voegwoord. Welke zinnen kun je niet omdraaien? Zet dan een streepje.

Slide 19 - Tekstslide

Heb jij oefening 2 af?
A
ja
B
nee

Slide 20 - Quizvraag

Oefening 2
1. Als jij dat leuk vindt, ga ik met je mee.
2. Omdat we naar huis mochten, waren we blij.
3. -
4. Als Ajax een doelpunt maakt, juichen alle fans.
5. Omdat de docent ziek is, is er geen les.
6. -
7. Als het vijf uur is, gaat iedereen naar huis.
8. Omdat het vijf uur is, gaat iedereen naar huis.

Slide 21 - Tekstslide

Oefening 3
Doe je het nu of doe je het nu niet?

Slide 22 - Tekstslide

Heb jij oefening 3 af?
A
ja
B
nee

Slide 23 - Quizvraag

1. Omdat er geen les is, ga ik boodschappen doen.
A
Ik ga nu boodschappen doen.
B
Ik ga nu geen boodschappen doen.

Slide 24 - Quizvraag

2. Als er geen les is, ga ik boodschappen doen.
A
Ik ga nu boodschappen doen.
B
Ik ga nu geen boodschappen doen.

Slide 25 - Quizvraag

3. Wanneer ik kiespijn heb, ga ik naar de tandarts.
A
Ik ga nu naar de tandarts.
B
Ik ga nu niet naar de tandarts.

Slide 26 - Quizvraag

4. Omdat ik kiespijn heb, ga ik naar de tandarts.
A
Ik ga nu naar de tandarts.
B
Ik ga nu niet naar de tandarts.

Slide 27 - Quizvraag

Oefening 4
Welke zinnen geven een voorwaarde aan en welke een tijd?

Slide 28 - Tekstslide

Heb jij oefening 4 af?
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quizvraag

1. Wanneer gaat iemand naar de notaris? Als hij een huis koopt.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 30 - Quizvraag

2. Wanneer gaat iemand naar de notaris? Om vier uur vanmiddag.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 31 - Quizvraag

3. Wanneer moet je naar de dokter?
Over drie kwartier.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 32 - Quizvraag

4. Wanneer moet je naar de dokter?
Als je je niet goed voelt.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 33 - Quizvraag

5. Wanneer doet iemand boodschappen?
Als het brood op is.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 34 - Quizvraag

6. Wanneer doet iemand boodschappen?
Morgen.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 35 - Quizvraag

7. Wanneer gaat iemand naar de kapper?
Volgende week.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 36 - Quizvraag

8. Wanneer gaat iemand naar de kapper?
Als mijn haar te lang is.
A
voorwaarde
B
tijd

Slide 37 - Quizvraag

Wat heb je geleerd?

Slide 38 - Open vraag

Hoe goed kun jij zinnen maken met "als" en "omdat"?
010

Slide 39 - Poll

Maak nu les 47
Toen, nadat, voordat, zodat, doordat

Slide 40 - Tekstslide