Lesson 1
Persoonlijk voornaamwoord
Lesson 1
Persoonlijk voornaamwoord
Doel
In this lesson you will learn about:
*personal pronouns
Personal pronouns
The personal pronouns refers to a human, animal, or thing.
Singular or plural
The personal pronouns can be used for both a singular subject:
I- ik
you- jij
he- hij
she- zij
it- het
and a plural subject:
we- wij
you- jullie
they- zij
What are the personal pronounses?
Piet talks about his family.
Ik heet Piet en ik woon in Amsterdam. Ik ben getrouwd met Pauline. Zij is
Engels, maar ze spreekt Nederlands. Ik ben leraar op een middelbare school in
Amsterdam maar Pauline werkt in Den Haag. Ze gaat elke dag met de trein naar
haar werk. Zij is secretaresse bij een reisbureau. Wij hebben twee kinderen, een
zoon en een dochter. Hij heet Marius en zij heet Charlotte.
Personal pronouns, singular subject
It is about 1 person, animal or thing.
Piet woont in Amsterdam. > Hij woont in Amsterdam.
Piet lives in Amsterdam. He lives in Amsterdam.
Pauline werkt in Den Haag. > Zij werkt in Den Haag.
Pauline works in Den Haag. She works in Den Haag.
Het huis is schoon. > Het is schoon.
The house is clean. It is clean.
Sleepvraag Drag question
She lives in Amsterdam.
I work in Amsterdam.
Het ligt in Amsterdam.
Zij woont in Amsterdam.
Ik werk in Amsterdam.
Hij woont in Amsterdam.
Sleepvraag Drag question
It is a teacher.
He is a teacher.
Hij is een leraar.
Zij is een leraar.
Ik ben een leraar.
Het is een leraar.
Sleepvraag Drag question
You work at a travel agency.
I work at a travel agency.
Ik werk bij een reisbureau.
Zij werkt bij een reisbureau.
Hij werkt bij een reisbureau.
Jij werkt bij een reisbureau.
Personal pronouns, plural subject
It is about more than 1person, animal or thing.
Piet en Pauline wonen in Amsterdam. > Zij wonen in Amsterdam. Piet and Pauline live in Amsterdam. They live in Amsterdam.
Pauline en ik werken. > Wij werken. Pauline and I work. We work.
Pauline en Piet hebben kinderen. > Zij hebben kinderen. Pauline and Piet have children. They have children..
Pauline en Piet werken. > Jullie werken. Pauline and Piet work. You work.
More formal U- you. Older people or unknown people = U
What is the personal pronouns?
Piet en Pauline gaan naar hun werk.
He
I
She
They
What is the personal pronouns?
U werkt in Den Haag?
He
You
She
It
What is the personal pronouns?
Zij hebben twee kinderen.
He
You
They
She
What is the personal pronouns?
Wij zijn de kinderen van Pauline.
We
They
I
You
What is the personal pronouns?
Zij is secretaresse bij een reisbureau.
Zij
is
een
What is the personal pronouns?
Zij gaat elke dag met de trein.
de
Zij
elke
trein
Use the personal pronouns?
Piet heeft een zoon.
Hij heeft een zoon.
Het heeft een zoon.
Zij heeft een zoon.
Ik heb een zoon.
Use the personal pronouns?
Piet en Pauline hebben kinderen.
Zij hebben kinderen.
Jij hebt kinderen.
Ik heb kinderen.
U heeft kinderen.
Use the personal pronouns?
Marius is de zoon van Piet.
Hij is de zoon van Piet.
Zij is de zoon van Piet.
Use the personal pronouns?
Charlotte is de dochter van Piet.
Hij is de dochter van Piet.
Answer B
Zij is de dochter van Piet.
Answer D
Use the personal pronouns?
Piet en Pauline hebben twee kinderen.
Wij hebben twee kinderen.
Zij hebben twee kinderen.
Use the personal pronouns?
Pauline is Engels.
Zij is Engels.
Jullie zijn Engels.
Hij is Engels.
Wij zijn Engels.
Use the personal pronouns?
Jij en ik gaan met de trein.
Jullie gaan met de trein.
Zij gaan met de trein.
Wij gaan met de trein.
enkelvoud- singular
meervoud- plural
Put all the personal pronounses in the correct column.
How did it go?