2T eerste en vierde naamval

de 1e en 4e naamval
Vandaag nog een keer:
De eerste en de vierde naamval.
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

de 1e en 4e naamval
Vandaag nog een keer:
De eerste en de vierde naamval.

Slide 1 - Tekstslide

Het is een tijd geleden, maar hoeveel weet je nog van de 1e en 4e naamval?
A
tussen de 0% en 25%
B
tussen 26% en 50%
C
tussen de 51 en 75%
D
tussen de 75 en 100%

Slide 2 - Quizvraag

Wat weet je nog van de eerste en vierde naamval?

Slide 3 - Woordweb

Je hebt net hopelijk iets gezegd over:
  • Lidwoorden  (der, die, das, ein, eine)
  • verandering bij lidwoord (der-den en ein- einen)
  • Zelfstandige naamwoorden
  • ontleden (persoonsvorm, gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp)
  • voorzetsels met de 4e naamval (durch, für, gegen, ohne, um)

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

?????
Als je niet meer weet hoe je in de Nederlandse taal het onderwerp en het lijdend voorwerp vinden??
Ik help je.. ...

Slide 6 - Tekstslide

Bijv:  De leraar heeft een mp3-speler gekocht.
De leraar heeft een nieuwe auto gekocht.
  1. persoonvorm = heeft
  2. gezegde = heeft gekocht
  3. onderwerp = de leraar    (wie heeft gekocht?)
  4. lijdend voorwerp = een nieuwe auto  (wat heeft de leraar gekocht?)

Slide 7 - Tekstslide

Wat is hier onderwerp?
De moeder gaat brood kopen
A
de moeder
B
brood
C
gaat
D
kopen

Slide 8 - Quizvraag

Wat is hier lijdend voorwerp?
Mijn vriend wil het boek terugsturen
A
mijn vriend
B
wil
C
het boek
D
terugsturen

Slide 9 - Quizvraag

Wij doen nu hetzelfde met de Duitse zin
Der Vater sucht das Geld. 
Der Vater sucht das Geld.

persoonsvorm = sucht
gezegde = sucht
onderwerp = der Vater
lijdend voorwerp = das Geld



Slide 10 - Tekstslide

Das Kind kauft die Schokolade
De onderwerp in deze zin is.......
A
Das Kind
B
kauft
C
die Schokolade

Slide 11 - Quizvraag

Die Eltern kaufen das Haus
Het lijdend voorwerp is .............
A
die Eltern
B
kaufen
C
das Haus

Slide 12 - Quizvraag

1 Naamval
Het onderwerp van de zin is altijd de eerste naamval
die Mutter ist müde. 
der Vater sucht das Geld. 
das Kind braucht die Schuhe 
die Eltern kaufen das Haus 
Bij de eerste naamval verandert zich niks. De lidwoord blijft onverandert !!!!!

Slide 13 - Tekstslide

4 Naamval
Het lijdend  voorwerp van de zin is altijd de vierde naamval
Ich suche die Mutter 
der Vater sucht das Geld.
das Kind will den Hund
die Eltern kaufen die Computerspiele
Bij de vierde naamval verandert maar een lidwoord. 
 der  - den       ein  -  einen
Alle andere lidwoorden die -  das - meervoud die blijven onveranderd !!!!

Slide 14 - Tekstslide

Samenvatting

                                    der Vater       die Mutter    das   Kind       die  Eltern (mv)
1 naamval               der                  die                   das                     die
4 naamval              den                  die                  das                     die

                                      ein   Vater     eine Mutter    ein Kind            -
1 naamval                 ein                    eine                  ein                    -
4 naamval                 einen              eine                  ein                    keine

Slide 15 - Tekstslide

Der Vater kauft ............ Tennisschläger (m)
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 16 - Quizvraag

Hier kommt ......... Lehrer (m)
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 17 - Quizvraag

Ich will ............. Sportler (m) sehen
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 18 - Quizvraag

Das ist .................CD (v)
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 19 - Quizvraag

_______ Frau geht nach Hause
A
Die
B
Der
C
Den
D
Dem

Slide 20 - Quizvraag

.......en zijn de naamvallen echt moeilijk ?

Slide 21 - Tekstslide

Wie begrijpt nu de uitleg van de 1e en 4e naamval?
A
Ik begrijp het helemaal.
B
Ik begrijp het voor een groot gedeelte.
C
Ik begrijp het een klein beetje.
D
Ik begrijp het helemaal niet.

Slide 22 - Quizvraag