2/3de klas: Oefenen met pers. vnw. functie en voorzetsels 3/4

Persoonlijke voornaamwoorden ....

na voorzetsels
bij naamvallen/zinsdelen
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Persoonlijke voornaamwoorden ....

na voorzetsels
bij naamvallen/zinsdelen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk voornaamwoord
Voorzetsels
Naamvallen/zinsdelen
ich
dir
uns
Ihnen
euch
ihr
durch
für
mit
bei
onderwerp
meewerkend voorwerp

Slide 2 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal de persoonsvormen!
met...
voor...
hun/hen?
hun bij het meewerkend voorwerp
hen bij het lijdend voorwerp of na een voorzetsel

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer is er een verandering?
Als de functie van het persoonlijk voornaamwoord verandert:
Ich langweile mich, du auch? Dann langweilen wir uns allen!
Als het achter een voorzetsel staat, dat eigenlijk alles bepaalt:
Für ihn dauert es immer zu lange!

Slide 4 - Tekstslide

Pak het schema er bij... 
"Ich mir mich" Wat is de naamval/functie van mich? Klopt dit in de eerste voorbeeld zin?
Klopt dit ook bij "wir"?
Hoe vertaal je ihn?
Wat is de functie in de zin?
Persoonlijk voornaamwoord invullen

na voorzetsel met de vierde naamval

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Will sie [ zonder ons] anfangen?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Sie macht sich Sorgen [om haar].

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Morgen spiele ich [tegen jou].

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wir haben diesen Ort ( door hem) entdeckt.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk voornaamwoord invullen

na voorzetsel met de derde naamval

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ich gehe (met hem) in den Park.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Das Auto ist (van mij).

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ich wohne (bij hen)

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Soll ich heute (naar jou) kommen?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk voornaamwoord invullen 
in een naamval/zinsdeel

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hallo, wie heißt .... (jij)?
A
du
B
dir
C
dich
D
ich

Slide 16 - Quizvraag

Vertaling: Hoe heet jij?
du = jij
dir/dich =jou

òf: wie of wat heet? antw: jij heet
Ich habe ... [jou] gestern noch in der Stadt gesehen!
A
du
B
dir
C
dich
D
mich

Slide 17 - Quizvraag

Vertaal: jou = dir of dich

Ontleed: 
aan jou/ voor jou: kan niet
wat/wie heb ik gezien? jou = LV
Was schenkst du .... [hun] zu Weihnachten?
A
ihr
B
euch
C
ihnen
D
ihm

Slide 18 - Quizvraag

aan hun =MV 
Ich habe [jullie] natürlich auch eingeladen.
A
ihr
B
euch
C
ihnen
D
Ihnen

Slide 19 - Quizvraag

Wie/Wat heb ik uitgenodigd?
Jullie= LV
Ich habe es [hem] gestern gesagt.
A
ihm
B
er
C
ihn
D
ihr

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden uit mijn hoofd
😒🙁😐🙂😃

Slide 21 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik begrijp dat ik de zin moet ontleden om het juiste pers.vnw. toe te passen
😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik begrijp dat een voorzetsel de naamval bepaald
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik ken de voorzetsels al uit mijn hoofd, waarna een 3de of 4de naamval volgt
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll

Deze slide heeft geen instructies