In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 79 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Marketing les 5
Slide 1 - Tekstslide
Enquete Duurzaamheid uitdelen
Beoordeel de enquête en verbeter zo nodig de vraag/antwoord
Slide 2 - Tekstslide
Algemene opmerkingen enquête
Slide 3 - Open vraag
Algemene opmerkingen
Weinig structuur, onderwerpen door elkaar
Filtervragen als leeftijd, geslacht ontbreken
Geen einde/bedankje aan einde enquête
Slide 4 - Tekstslide
Slide 5 - Open vraag
Vraag 1: Hoe belangrijk vind je duurzaamheid?
Fout: Het antwoord ‘Belangrijk’ staat twee keer.
Beter:
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Open vraag
Vraag 2 Hoe vaak gebruik je het openbaar vervoer en vind je dat het openbaar vervoer duurzamer is dan de auto?
Fout: Dit zijn twee vragen in één:
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Open vraag
Vraag 3 Hoe duurzaam vind je jouw school?
Fout: ‘Zeer duurzaam’ en ‘Heel duurzaam’ betekenen bijna hetzelfde en overlappen daardoor.
Beter:
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Open vraag
Vraag 4 Hoeveel afval gooi je per dag weg?
Fout: De antwoordmogelijkheden zijn niet logisch geordend. ‘Heel weinig’ staat na ‘Veel’. vraag wordt 2x gesteld (vraag 4 +9)
Beter:
Slide 12 - Tekstslide
vraag 5 Vind je dat studenten minder plastic moeten gebruiken?
Fout: Er zijn twee antwoordmogelijkheden die ‘ja’ betekenen.
Slide 13 - Tekstslide
Slide 14 - Open vraag
Vraag 6 Vind je niet dat de school niet minder energie zou moeten gebruiken?
Fout: De vraag is sturend: vind je niet.... en de vraag bevat een ontkenning, waardoor het onduidelijk is wat er precies wordt gevraagd.
Beter:
Slide 15 - Tekstslide
Vraag 7 Vind je zonnepanelen op school nuttig en zou je zelf zonnepanelen op je huis willen?
Fout: Dit is een dubbele vraag: zonnepanelen op school én zonnepanelen thuis.
Beter:
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Open vraag
Vraag 8 Hoeveel dagen per week probeer je duurzaam te reizen?
Fout: ‘5-7 dagen’ en ‘Elke dag’ overlappen elkaar, omdat elke dag ook binnen 5-7 dagen valt.
Beter:
Slide 18 - Tekstslide
Slide 19 - Open vraag
Vraag 9 Hoeveel afval produceer jij per dag?
Fout: 1-2 kilo en ongeveer 2 kilo overlappen elkaar, daarbij is het lastig om te bepalen wat het gewicht van je afval is per dag
Beter
Slide 20 - Tekstslide
Slide 21 - Open vraag
vraag 10 Vind je ook niet dat onze school veel meer zonnepanelen zou moeten plaatsen om het milieu te helpen?
Fout: De vraag is sturend
Beter:
Slide 22 - Tekstslide
Lastige termen mbt marktonderzoek
Objectief: Je niet laten leiden door wat je denkt, maar door wat je uit de gevonden gegevens opmaakt.
Systematisch: Volgens een weloverwogen plan en zo mogelijk op basis van gegevens uit eerder marktonderzoek.
Analyseren: Verbanden zoeken tussen de verschillende , zodat ze leiden tot antwoorden.
Slide 23 - Tekstslide
Lastige termen
Validiteit = de mate waarin vragen leiden tot antwoorden die een correctie weergave van de werkelijkheid zijn voor datgene wat de onderzoeker wil weten
Betrouwbaarheid = geeft weer hoe groot de kans is dat twee onderzoeken met dezelfde steekproefomvang tot hetzelfde resultaat leiden
Slide 24 - Tekstslide
Enquête verwerken tot management informatie
Informatie verwerken tot overzichtelijke info d.m.v.
Grafieken/ tabellen
Slide 25 - Tekstslide
Bij verwerken grafieken letten op:
Titel en legenda
Niet teveel informatie per grafiek --> immers duidelijker zijn
Kies de juiste grafieksoort (wat wil je weergeven)
Netjes “uitknippen” en in rapportage verwerken
Slide 26 - Tekstslide
Slide 27 - Tekstslide
Cirkeldiagram
Verdeling/verhouding is van belang.
Exacte getallen zijn minder belangrijk
Slide 28 - Tekstslide
Lijndiagram
De ontwikkeling in de tijd weergeven, bijv winstontwikkeling
Slide 29 - Tekstslide
Staafdiagram
Verhouding tussen verschillende categorieën
Slide 30 - Tekstslide
QUIZ
QUIZ
Slide 31 - Tekstslide
Je richt je met je product altijd op jongeren tussen de 15 en 25 jaar. De laatste tijd krijg je steeds jongere klanten en lijkt je doelgroep te verschuiven. Om deze jongere doelgroep zo goed mogelijk te bereiken ga je onderzoeken welke social mediakanalen zij gebruiken. Welk onderzoek doe je?
A
verkennend onderzoek
B
beschrijvend onderzoek
C
verklarend onderzoek
Slide 32 - Quizvraag
Onderzoek naar de ervaring van online advertenties onder mensen van 25 tot 45 jaar oud
Onderzoek onder studenten met de vraag of ze mee zouden willen werken aan een uitgebreide enquête
Onderzoek naar de oorzaak dat steeds minder mensen een abonnement nemen op een papieren krant
Verkennend
Onderzoek
Verklarend
Onderzoek
Beschrijvend
Onderzoek
Slide 33 - Sleepvraag
Welk antwoord is juist: Een onderzoek naar het aantal smartphones is
A
Kwantitatief onderzoek
B
Kwalitatief onderzoek
C
Alleen uit te voeren met primaire gegevens
D
Alleen uit te voeren met secundaire gegevens
Slide 34 - Quizvraag
Er is sprake van een kwalitatief onderzoek bij een:
A
Onderzoek naar het imago van een product
B
Onderzoek naar het aantal producten met een keurmerk
C
Onderzoek door een specialistisch onderzoeksbureau
D
Marktonderzoek met grote nauwkeurigheid
Slide 35 - Quizvraag
'Hoeveel % van de studenten haalt in 3 jaar hun diploma?' Wat voor soort onderzoek is dit?
A
Verkennend onderzoek
B
Beschrijvend onderzoek
C
Verklarend onderzoek
Slide 36 - Quizvraag
Er worden eisen gesteld aan de resultaten van een onderzoek. Wat betekent validiteit?
A
Dit is het percentage dat mag afwijken in de resultaten van het onderzoek vergeleken met de werkelijkheid.
B
Dat je met je onderzoek meet wat er gemeten moet worden.
C
Dit is de mate waarin de steekproef nauwkeurige resultaten geeft. Het is tenslotte een deel van de populatie.
D
Dat de betrouwbaarheid goed is. Oftewel de uitkomst moet representatief zijn.
Slide 37 - Quizvraag
De mate waarin de resultaten van een onderzoek bij herhaling overeen zullen komen met het voorgaande onderzoek.