In deze les zitten 75 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
Les 17 april groep 7
Wat gaan we doen?
- Woordenschat bij tekst "Het Egelhotel";
- Herhaling meewerkend voorwerp / ontleden;
- Hoofdzin en bijzin;
- Wanneer een trema?;
Herhaling werkwoord vervoeging.
Slide 1 - Tekstslide
Woordenschat
Ga naar blz. 10 van je taalboek en maak oefening 1
Slide 2 - Tekstslide
Woordenschat
Zet bij de volgende opgaven het goede woord in de zin.
(er blijft een woord over)
Slide 3 - Tekstslide
Sjoerd keek snel rond, maar zag................. geen ober.
Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 4 - Open vraag
Ella knoeit en stoot alle knutselspullen om. Wat een ...............
Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 5 - Open vraag
De............... maakt bijenhotels en verkoopt ze daarna aan het tuincentrum. Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 6 - Open vraag
Tibbe en Vincent .............. samen een knikkerbaan.
Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 7 - Open vraag
Mijn opa en oma................ elke winter in Spanje.
Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 8 - Open vraag
Op de ....................... staat hoe je de lamp in elkaar moet zetten.
Kies uit: construeren, consument, geklungel, overwinteren, producent, werktekening, zo op het oog
Slide 9 - Open vraag
Woordenschat
Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 11 oef 2
Slide 10 - Tekstslide
Woordenschat vervolg
Maak de volgende oefeningen: Wat hoort bij elkaar?
Slide 11 - Tekstslide
Ik bewaar het koekje voor als ik vanmiddag trek krijg.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 12 - Open vraag
Op dit plaatje zie je waar de pitjes van de appel zitten.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 13 - Open vraag
Dit bedrijf maakt shirts en verkoopt ze op internet.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 14 - Open vraag
Idris zet heel precies alle cijfertjes in de tabel.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 15 - Open vraag
Kijk, vanuit het vliegtuig zie ik ons huis van de bovenkant.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 16 - Open vraag
Mama koopt een tube tandpasta.
Kies uit: de producent, het bovenaanzicht, iets achter de hand hebben, de consument, de dwarsdoorsnede, secuur
Slide 17 - Open vraag
Woordenschat
Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 11 oef 3
Slide 18 - Tekstslide
Taal
Wat is een meewerkend voorwerp ook alweer?
AAN of VOOR wie!
Slide 19 - Tekstslide
Meewerkend voorwerp
Ontleed deze zin
Wij hebben voor mijn moeder een surprise party georganiseerd.
Slide 20 - Tekstslide
Oplossing:
Wij hebben voor mijn moeder een surprise party georganiseerd.
pv: hebben
ow: we
lv: een surprise party
mv: voor mijn moeder
Slide 21 - Tekstslide
Krijn geeft zijn cadeau aan de jarige.
Slide 22 - Open vraag
Taal
Vul alles nu even goed in in je eigen Taalboek blz. 7 oef 1
Kleur het meewerkend voorwerp.
Slide 23 - Tekstslide
Taal
Blijf op blz. 7 van je Taalboek en maak oef 2
Welk meewerkend voorwerp past in de zin?
Slide 24 - Tekstslide
Slide 25 - Tekstslide
Taal
Blijf op blz. 7 van je Taalboek en maak oef 3
Welk meewerkend voorwerp past in de zin?
Slide 26 - Tekstslide
Slide 27 - Tekstslide
Alle zinsdelen benoemen in de lang zin.
Mijn buurjongen heeft mij zijn fiets geleend voor het verkeersexamen.
Slide 28 - Tekstslide
Alle zinsdelen benoemen in de lang zin.
Mijn buurjongen heeft mij zijn fiets geleend
ow pv mv lv gez
voor het verkeersexamen.
bep
Slide 29 - Tekstslide
Benoem alle zinsdelen
De kraai liet de stinkende kaas op mijn hoofd vallen
Slide 30 - Tekstslide
Benoem alle zinsdelen
De kraai liet de stinkende kaas op mijn hoofd vallen.
ow pv lv bep gez
Slide 31 - Tekstslide
Taal
Ga naar blz. 16 van je Taalboek en maak de 'eerst probeer oefening.
Slide 32 - Tekstslide
Slide 33 - Tekstslide
Taal
Blijf op blz. 16 van je Taalboek en maak dan oefening 1.
Slide 34 - Tekstslide
Slide 35 - Tekstslide
Taal
Hoofdzin en een bijzin
Hoe zat het ook alweer?
Slide 36 - Tekstslide
Slide 37 - Video
Even oefenen:
Wij gaan morgen met de klas naar het zwembad, als de zon schijnt.
Slide 38 - Tekstslide
Even oefenen:
Wij gaan morgen met de klas naar het zwembad, als de zon schijnt.
Slide 39 - Tekstslide
Taal
Ga naar blz. 18 van je Taalboek en maak dan oefening 1 verder af.
Slide 40 - Tekstslide
Slide 41 - Tekstslide
Taal
Ga naar blz. 18 van je Taalboek en maak dan oefening 2
Slide 42 - Tekstslide
Slide 43 - Tekstslide
Samengestelde zin
Zo'n zin heeft vaak 2x pv, gez, ow etc
Juf Marga gaf de telefoon terug aan Janne en zij checkte meteen haar berichtjes.
Slide 44 - Tekstslide
Samengestelde zin
Juf Marga gaf de telefoon terug aan Janne en zij checkte meteen haar
ow pv lv gez mv ow pv bep
berichtjes.
lv
Slide 45 - Tekstslide
Taal
Ga naar blz. 26 van je Taalboek en maak de 'eerst probeer' oefening.
Slide 46 - Tekstslide
Taal
Maak daarna oefening 1.
Slide 47 - Tekstslide
Slide 48 - Tekstslide
Spelling
Wanneer een trema?
Slide 49 - Tekstslide
Slide 50 - Video
Spelling
Woorden met 'ou' en 'au'
Dit moet je gewoon leren.
Kijk naar het au-verhaal
Slide 51 - Tekstslide
leestrainer.nl
Slide 52 - Link
Het is vandaag erg k__d buiten.
Slide 53 - Open vraag
Ik neem een p__ze na het werken.
Slide 54 - Open vraag
De lucht is mooi bl__w.
Slide 55 - Open vraag
Zij h__dt van chocola.
Slide 56 - Open vraag
Het t__w ligt op de grond.
Slide 57 - Open vraag
Wij gaan g__w naar school, anders zijn we te laat.
Slide 58 - Open vraag
Hij maakt een f__t in de som.
Slide 59 - Open vraag
Werkwoord vervoeging
Pak je vervoegingsschema erbij!
Slide 60 - Tekstslide
Slide 61 - Tekstslide
Werkwoord vervoeging
Bekijk de volgende filmpjes en maak aantekeningen!
Slide 62 - Tekstslide
Slide 63 - Video
Slide 64 - Video
Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord
Slide 65 - Tekstslide
Even oefenen
Slide 66 - Tekstslide
Hij (pakken) iets uit de kast.
Slide 67 - Open vraag
Jij (rijden) veel te hard.
Slide 68 - Open vraag
Ik (geven) jou een cadeautje
Slide 69 - Open vraag
Zij (vragen) de weg aan een voorbijganger
Slide 70 - Open vraag
Zij (worden) morgen opgehaald van het vliegveld.
Slide 71 - Open vraag
Jij (kleden) je altijd zo kleurrijk.
Slide 72 - Open vraag
Tegenwoordige tijd
UITZONDERING:
Als er 'je' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen