Oefenen H4,5,6-2

Nederlands 2-4
Doel deze les:
  1. Oefenen voor SO Lezen H4,5,6
  2. Je weet wat feiten, meningen en argumenten zijn
  3. Je weet hoe je kan zien voor welk publiek een tekst is geschreven
  4. Je weet hoe je de betrouwbaarheid van een tekst kan checken
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Nederlands 2-4
Doel deze les:
  1. Oefenen voor SO Lezen H4,5,6
  2. Je weet wat feiten, meningen en argumenten zijn
  3. Je weet hoe je kan zien voor welk publiek een tekst is geschreven
  4. Je weet hoe je de betrouwbaarheid van een tekst kan checken

Slide 1 - Tekstslide

FEIT

- Uitspraak over iets wat waar of niet waar is

- Een feit kan je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door in de krant te kijken of het op internet op te zoeken.

Slide 2 - Tekstslide

MENING (STANDPUNT)

- Wat iemand ergens van vindt

Het is niet controleerbaar

-Je kunt het eens of oneens zijn

- signaalwoorden: ik vind, volgens mij, naar mijn mening...


Voorbeeld van een mening (standpunt):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 3 - Tekstslide

ARGUMENT (REDEN)

- Een argument is een uitleg waarmee je een mening verdedigt.

- Signaalwoorden: want, namelijk, omdat, immers...



Voorbeeld van een argument (reden):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 4 - Tekstslide

Tekst en publiek
Een schrijver wil meestal dat zijn tekst door een bepaalde groep mensen gelezen wordt: het publiek
Bijvoorbeeld: jongeren, voetbalfans, gamers, volwassenen. 

Een schrijver houdt bij het schrijven van de tekst rekening met het publiek.
  1. Onderwerp
  2. Taalgebruik
  3. Lay-out
  4. Bron

Slide 5 - Tekstslide

Tekst en publiek
  • het onderwerp: een tekst over de gaafste achtbanen in Europa is bijvoorbeeld bedoeld voor jongeren. Een tekst over het schilderen van je huis is bedoeld voor volwassenen.

  • het taalgebruik: teksten voor jongeren hebben bijvoorbeeld veel moderne en nieuwe woorden en de lezer wordt meestal met ‘je’ aangesproken. In een tekst voor volwassenen wordt de lezer vaker met ‘u’ aangesproken.

Slide 6 - Tekstslide

Tekst en publiek
  • de bron: een tekst in Bobo is voor kinderen bedoeld, een tekst in 7Days voor jongeren en een tekst in het tijdschrift LINDA. voor volwassen vrouwen.
  • de lay-out (opmaak): in tijdschriften en op websites voor jongeren zie je veel illustraties, grote koppen, veel kleuren en lettertypen. Ingewikkelde teksten voor volwassenen zien er vaak saaier uit dan teksten voor jongeren.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 10 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
Vivera
B
Natuur & Milieu
C
Wereldwijde voedselverdeling
D
Flexitariër

Slide 11 - Quizvraag

Wat voor soort tekst is de tekst?
A
advertentie
B
nieuwsbericht
C
reactie op een website

Slide 12 - Quizvraag

Wat is een flexitariër?

Slide 13 - Open vraag

Hoe wordt het onderwerp in de tekst ingeleid?
A
met een aanleiding voor het schrijven van de tekst
B
met de mening van een deskundige
C
met een korte samenvatting van de tekst

Slide 14 - Quizvraag

Wat wil Natuur & Milieu bereiken met de campagne?

Slide 15 - Open vraag

Wat is de mening van Natuur & Milieu over de toename van het aantal felexitariërs?

Slide 16 - Open vraag

In alinea 2 staat dat het goed is om niet alle dagen vlees te eten. Welke drie argumenten worden daarbij genoemd?

Slide 17 - Open vraag

Wat is het doel de tekst?
A
adviseren
B
informeren
C
overhalen

Slide 18 - Quizvraag

Voor welk publiek is deze tekst geschreven?
A
Volwassenen
B
Jongeren
C
Flexitariërs
D
Volwassenen en jongeren

Slide 19 - Quizvraag

Welke functie heeft de afbeelding bij de tekst?
A
Extra informatie geven
B
Informatie uit de tekst uitleggen
C
De aandacht trekken van de lezer
D
Voor opvulling

Slide 20 - Quizvraag

Zelfstandig werken
Wat ga je doen?
  1. Je maakt deze les af vanaf slide 22.
  2. 2A:https://LessonUp.app/invite/h/gvmRQeE5TAEdaRPwR
  3. 2B: https://LessonUp.app/invite/h/BeQGyFaogFSNyh9BG

Slide 21 - Tekstslide

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 22 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
gezond eten
B
gezonde kantine
C
overgewicht bij jongeren
D
pauze op de middelbare school

Slide 23 - Quizvraag

Op welke manier wordt de tekst ingeleid?
A
In de inleiding staat een samenvatting van de tekst
B
In de inleiding vertelt de schrijver een persoonlijke ervaring
C
In de inleiding wordt een belangrijk persoon voorgesteld

Slide 24 - Quizvraag

Voor welk publiek is deze tekst geschreven?
A
Jongeren
B
Volwassenen

Slide 25 - Quizvraag

In welke alinea lees je de mening van de overheid en het voedingscentrum?

Slide 26 - Open vraag

In welke alinea('s) lees je de mening van de schrijver?

Slide 27 - Open vraag

Aan welk signaalwoord herken je de mening van de overheid en het voedingscentrum?

Slide 28 - Open vraag

Welke drie argumenten geven de overheid en het voedingscentrum voor hun mening?

Slide 29 - Open vraag

Leg uit waarom de schrijver denkt dat de 'gezonde kantine' er niet voor gaat zorgen dat jongeren gezonder gaan eten.

Slide 30 - Open vraag