Relatiefpronomen: die en dat begrijpen
Relatiefpronomen: die en dat begrijpen
Wat weet jij al over het gebruik van die en dat?
Leerdoel
Aan het einde van de les kun je relatiefpronomen als die en dat juist gebruiken in eenvoudige Nederlandse zinnen.
Wat is een relatiefpronomen?
Een relatiefpronomen verwijst terug naar een woord in de zin. Voorbeelden zijn: die, dat, wie, wat.
Die of dat: het verschil
Die
Gebruik je voor woorden als 'de jongen', 'de appel', 'de stoel'.
Dat
Gebruik je voor woorden als 'het boek', 'het huis', 'het kind'.
Let op het woord voor het relatiefpronomen
Is het een 'de-woord'? Gebruik die. Is het een 'het-woord'? Gebruik dat.
Oefening: kies het juiste woord
Vul in: De hond ___ blaft, is groot. (die/dat) Het cadeau ___ ik kreeg, is blauw. (die/dat)
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Voorbeelden uit het dagelijks leven
De bal die op straat ligt. Het huis dat wij mooi vinden.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.