Relatiefpronomen: die en dat begrijpen

Relatiefpronomen: die en dat begrijpen

1 / 11
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecondary Education

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Relatiefpronomen: die en dat begrijpen

Wat weet jij al over het gebruik van die en dat?

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je relatiefpronomen als die en dat juist gebruiken in eenvoudige Nederlandse zinnen.

Wat is een relatiefpronomen?

Een relatiefpronomen verwijst terug naar een woord in de zin. Voorbeelden zijn: die, dat, wie, wat.

Die of dat: het verschil

Die

Gebruik je voor woorden als 'de jongen', 'de appel', 'de stoel'.

Dat

Gebruik je voor woorden als 'het boek', 'het huis', 'het kind'.

Let op het woord voor het relatiefpronomen

Is het een 'de-woord'? Gebruik die. Is het een 'het-woord'? Gebruik dat.

Oefening: kies het juiste woord

Vul in: De hond ___ blaft, is groot. (die/dat) Het cadeau ___ ik kreeg, is blauw. (die/dat)

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Voorbeelden uit het dagelijks leven

De bal die op straat ligt. Het huis dat wij mooi vinden.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.