15.4 Het netvlies en de hersenen V5 2526

15.4 het netvlies en de hersenen
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

15.4 het netvlies en de hersenen

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel 
Hoe werken de zintuigcellen in je netvlies?
Hoe kun je kleuren zien?
Hoe kun je contrasten zien tussen donker/licht?
Hoe werkt gezichtsbedrog?



Slide 2 - Tekstslide

Het netvlies
Gele vlek: centrale deel netvlies met alleen kegeltjes.
Hiermee kun je het scherpst zien.
Blinde vlek: plek waar de bloedvaten en axonen het oog verlaten. Met dit stuk netvlies kun je niet zien.

Slide 3 - Tekstslide

Blinde vlek
Doordat de blinde vlek
voor beide ogen op een
andere plek van het
gezichtsveld zit zie je
toch alles.
Zit op de horizontale as van de gele vlek dichter naar de neus.

Slide 4 - Tekstslide

Door de blinde vlek zie ik
A
een deel van het buitenste gezichtsveld niet
B
een deel van het binnenste gezichtsveld niet
C
voor een deel van het buitenste gezichtsveld geen diepte
D
voor een deel van het binnenste gezichtsveld geen diepte

Slide 5 - Quizvraag

Het oog - netvlies
Je netvlies is bedekt met 
zintuigcellen:
kegeltjes en staafjes.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Staafjes                            Kegeltjes

Slide 8 - Tekstslide

Staafjes                            
Hiermee kun je zwart en wit zien (geen/wel licht).
Zitten buiten de gele vlek.
Bevatten rhodopsine pigment.
Rhodopsine valt uit elkaar als er licht op valt .
-> Na+ poorten sluiten -> hyperpolarisatie.
Staafjes geven GEEN neurotransmitter af als er licht op valt.
Rhodopsine is heel lichtgevoelig dus lage prikkeldrempel.




Slide 9 - Tekstslide

Staafjes                            
Na belichting wordt rhodopsine weer terug-
gevormd en kan het staafje weer opnieuw
belicht worden.


Nachtblindheid: terugvorming rhodopsine is
verstoord - duurt langer.



Slide 10 - Tekstslide

Kegeltjes
Hiermee kun je kleuren zien.
Zitten vooral ín de gele vlek.
Bevatten fotopsine pigment .
drie typen: gevoelig voor blauw, rood, groen licht.

Fotopsines vallen uit elkaar als er licht op valt .
-> Na+ poorten sluiten -> hyperpolarisatie.
Kegeltjes geven GEEN neurotransmitter af als er licht op valt.
Fotopsine is niet lichtgevoelig dus hoge prikkeldrempel.




Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Kegeltjes/staafjes-pixels                







Hoe scherp je kunt zien hangt af van hoeveel staafjes/kegeltjes er verbonden zijn aan één neuron.

Slide 13 - Tekstslide

Extra cellen
Ganglion cellen:
Voeren impulsen af naar de 
hersenen
Bipolaire cellen:
Verbinden receptorcellen met 
ganglioncellen
Door schakelingen betrokken 
bij vorming receptieve velden


Slide 14 - Tekstslide

Contrastversterking

Slide 15 - Tekstslide

Extra cellen
Amacriene- en 
horizontale cellen: verbinden 
bipolaire cellen, receptorcellen en 
ganglioncellen

Door schakelingen betrokken bij oa.
contrastversterking


Slide 16 - Tekstslide

Contrastversterking
Receptorcellen ontvangen licht -> remmen de verbonden horizontale cellen -> remming naastgelegen receptieve velden-> licht wordt lichter, donker wordt donkerder.

Slide 17 - Tekstslide

Waar staat de lichtbron?
A
Rechtsboven
B
Rechtsonder
C
Linksboven
D
Linksonder

Slide 18 - Quizvraag

Hoe werkt gezichtsbedrog?

Slide 19 - Tekstslide

Interpretatie
Impulsen vanuit de ogen komen binnen in de primaire visuele cortex. De secundaire visuele cortex interpreteert het beeld.
Dit gaat niet altijd goed.
Hier worden veel aannames gedaan.


Slide 20 - Tekstslide

Welke kleuren zitten in dit plaatje?

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

14.3 en 14.4 Diepte, contrast en interpretatie

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Leerdoelen 15.4 
9. Je legt de werking van staafjes en kegeltjes uit.
10. Je legt uit hoe de bouw van het netvlies samen met de visuele schors zien mogelijk maakt.


Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide