cross

NOVA NASK II H3

1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
nask2vmbo g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Verbrandingen

Slide 2 - Woordweb

Stoffen
Voorwaarden verbranding

Slide 3 - Tekstslide

Verbrandingen
Verbrandingsreacties

Slide 4 - Tekstslide

Fossiele brandstoffen
(Bijv.: diesel, benzine, lpg & campinggas) = uit aardolie, beperkt! 

Lucht
  • 21 % zuurstof
  • 78 % stikstof
  • overige gassen; koolstofdioxide & edelgassen

Ontbrandingstemperatuur = verschillend per brandstof

Slide 5 - Tekstslide

Waarom verbranding?
  • Vrijkomen van energie;
  • Warmte,
  • Beweging, 
  • Vuilverbranding

Slide 6 - Tekstslide

Verbrandingsverschijnselen
  • Vlam = hoeveelheid gloeiend gas
  • Vonken = kleine vaste gloeiende deeltjes die wegspringen of met hete rook omhoogstijgen
  • Rook = zeer fijn verdeelde vaste deeltjes die NIET gloeien (niet heet genoeg)
  • Asresten = vrijgekomen vaste stoffen die GEEN rook of vonken vormen

Slide 7 - Tekstslide

Verbrandingen
Brand blussen

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Brand en explosie
  • Brand = ongecontroleerde verbrandingsreactie
  • Explosie = een zeer snelle en hevige verbrandingsreactie (vaak gevolgd door brand)
Brand blussen
  • Afkoelen tot onder ontbrandingstemperatuur
  • Brandstof weghalen
  • Aanvoer zuurstof afsluiten

Slide 10 - Tekstslide

Verbrandingen
Rekenen

Slide 11 - Tekstslide

  • Bij een verbrandingsreactie reageren de brandstof en zuurstof in een vaste massaverhouding
  • Overmaat = een gedeelte van een beginstof blijft na afloop van de reactie over.
Een overmaat aan zuurstof is geen probleem, dit mengt zich met de lucht. 
Een overmaat van een andere stof is meestal ongewenst > het reactieproduct is GEEN zuivere stof!

Slide 12 - Tekstslide

Stoffen reageren altijd in een bepaalde verhouding met elkaar > zie coëfficiëntgetallen in de reactievergelijking.
  1. Reactievergelijking
  2. Massaverhouding uitrekenen met gegevens uit reactievergelijking:
    - verschillende atoommassa's noteren (BiNaS tabel 33 of 34)
    - reken nu de totale massa uit van de  verschillende moleculen  
       Let op de indexgetallen én de coëfficiëntgetallen > massa staat in ... u
    - Deze massa in Units kun je nu vervangen voor een andere massa-eenheid 
      bijvoorbeeld gram (g)  
    - Bedenk!! : Massa vóór de reactie = massa na de reactie
  3. Bereken gevraagde stof m.b.v. verhoudingstabel
Weet je nog?
H2.4

Slide 13 - Tekstslide

Overschot uitrekenen
Je hebt 60 gram magnesium en 45 gram zuurstof. Wat is het overschot?






Er is maar 39 gram zuurstof nodig. 
Er is dus 45 gram - 39 gram = 6 gram zuurstof overschot.
RV:  2 Mg (s) + O2 (g)      2 MgO (s)
MV:   49 u      + 32 u           81 u
           49 g     +  32 g          81 g 

Slide 14 - Tekstslide

Verbrandingen
(On)volledige verbranding

Slide 15 - Tekstslide

De hoeveelheid van een vaste stof wordt bijv. gegeven in gram (g) of kilogram (kg)= massahoeveelheid

Reken een volumehoeveelheid altijd eerst om naar een massahoeveelheid. 
Vloeistoffen en gassen worden meestal gegeven in bijv. mL of dm3 = volumehoeveelheid.

Slide 16 - Tekstslide

Aardgas
Aardgas = mengsel dat bestaat uit methaan (80%) en stikstof.
Aardgas verbranden
  • Methaan = CH4 
  • Bij volledige verbranding ontstaat CO2 (g), H2O (g) en energie.
Brandbare stof
Kleur- en geurloos

Slide 17 - Tekstslide

In methaanmoleculen is energie opgeslagen = chemische energie 
Aardgas verbranden
  • CH4 (g) + 2 O2 (g)        CO2 (g) + 2 H2O (g) 
Wordt niet weergegeven in de reactievergelijking!
die kan worden 
omgezet in licht & warmte

Slide 18 - Tekstslide

Oxidatie = reactie tussen zuurstof en een andere stof
Bij een verbranding ontstaan zuurstofverbindingen = oxiden. Bij een volledige verbranding, dus met voldoende zuurstof ontstaan oxiden van de elementen (de atoomsoorten) in de brandstof.
In Methaan (CH4) zitten C en H
Na verbranding CO2 en H2O

Koper > koperoxide
Magnesium > magnesiumoxide 

Slide 19 - Tekstslide

Aantonen verbrandingsprod.
Reagens = stof die een andere stof zichtbaar maakt
  • Water maakt wit kopersulfaat blauw 
  • Water maakt witte custard geel 
  • Koolstofdioxide maakt
                              helder kalkwater troebel
Producten zijn niet altijd te zien. Denk aan waterdamp en koolstofdioxide. Je kunt ze wel aantonen

Slide 20 - Tekstslide

Ook (zuivere) zuurstof kun je aantonen; een gloeiende houtspaander gaat feller branden/gloeien als hij in contact komt met veel (zuivere) zuurstof. 

Een gloeiende houtspaander is een reagens op zuivere zuurstof. 
Weet je nog?
H2.2

Slide 21 - Tekstslide

Onvolledige verbranding
Volledige verbranding
  • voldoende zuurstof
Onvolledige verbranding
  • Onvoldoende zuurstof
  • Andere reactieproducten
Zeer giftig gas!

Slide 22 - Tekstslide

Verbrandingen
Brandstoffen en milieuvervuiling

Slide 23 - Tekstslide

Fossiele brandstoffen
  • Steenkool       opwekken energie (NL), wordt voor verbranding gezuiverd; cokes.
  • Aardolie (koolwaterstof)       brandstoffen & grondstoffen voor chemische industrie.
  • Nadeel: er komen veel schadelijke stoffen vrij
  • Milieuschade door vrijkomen CO2, SO2, NO en NO2
versterkt broeikaseffect, zure regen en smogvorming

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Slide 26 - Video

Ammoniak
  • Ammoniak        komt voor in mest.
  • In de bodem wordt het door bacteriën gebruikt als grondstof en omgezet in Salpeterzuur.  
verzuring van de bodem

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

CFK's
  • Ozon       komt voor in de ozonlaag, die zich hoog in de dampkring rondom de aarde bevindt. 
  • Ozonlaag absorbeert schadelijke straling van de zon.
  • Cfk's = stoffen die bestaan uit de elementen chloor, fluor en koolstof.
  • In de jaren '79-'80 gebruikt in o.a. koelkasten. 
veroorzaken gat in de ozonlaag

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Verbrandingen
Reactiesnelheid

Slide 31 - Tekstslide

Snelle verbranding: stof verbrandt bijna onmiddellijk
Voorwaarden: 
  • brandstof en zuurstof komen snel in contact 
  • temperatuur is hoog genoeg

Explosie = hoge reactiesnelheid

Reactiesnelheid = de hoeveelheid stof die in een bepaalde tijd reageert of ontstaat

Langzame verbranding: verbranding zonder vuurverschijnselen, lage reactiesnelheid

Slide 32 - Tekstslide

Reactiesnelheid beïnvloeden
  • soort stof
  • verdelingsgraad fijne verdeling van de stof
  • concentratie de hoeveelheid stof in een mengsel
  • temperatuur hogere temperatuur = snellere reactie
  • katalysator stof die reactiesnelheid verhoogt, zonder daarbij zelf verbruikt te worden

Slide 33 - Tekstslide

Combineer de juiste afbeelding, term en uitleg.
Vlammen
Rook
Vonken
Asresten
Heet geworden gas dat gaat gloeien.
Kleine vaste, gloeiende deeltjes.
Vrijgekomen vaste stoffen.
Zeer fijn verdeelde zwevende vaste deeltjes.

Slide 34 - Sleepvraag

Volledige verbranding
Onvolledige verbranding
Zet de elementen in de juiste groep.
Er is sprake van een goede luchttoevoer
Voldoende zuurstof
Er is onvoldoende zuurstof om de brandstof volledig te verbranden
Na de reactie is er een overmaat van de brandstof
Roet
Er ontstaat rook
Er ontstaat CO
Er ontstaat koolstofdioxide

Slide 35 - Sleepvraag

Waarom mag je de
frituurpan
niet met water blussen?
A
Een vloeistof kun je niet met een andere vloeistof blussen.
B
Het vuur en de hete olie brengen het water aan de kook.
C
Je kunt de olie niet afkoelen tot onder de ontbrandingstemp.

Slide 36 - Quizvraag

Je wil 80 gram magnesium verbranden. Hoeveel zuurstof is er nodig?

Slide 37 - Open vraag

Waarom blijven fopkaarsen branden als je ze uitblaast?
A
Het lont koelt onvoldoende af.
B
Er blijft zuurstof beschikbaar.
C
Het stofje magnesium gaat door de tempe-ratuur weer branden.
D
Het kaarsje wordt veel heter dan een normale kaars.

Slide 38 - Quizvraag

Je verbrandt 20 gram calcium met 10 gram zuurstof. Welke stof is in overmaat en hoeveel?

Slide 39 - Open vraag

Is er bij de verbrandingsreactie van de vorige vraag sprake van een volledige verbranding?
A
Ja
B
Nee

Slide 40 - Quizvraag

Wat betekenen de onderstaande pictogrammen?
Explosief
Explosieve, zelfontledende stoffen en organische peroxiden die bij verhitting kunnen ontploffen.
Oxiderend
Oxiderende gassen, vaste stoffen en vloeistoffen die brand en ontploffing kunnen veroorzaken of intensiveren.
Giftig
Chemische stoffen met dit etiket zijn acuut giftig bij contact met de huid. Inademen of inslikken kan dodelijk zijn.
Licht ontvlambaar
Brandbare gassen, aerosolen, vloeistoffen en vaste stoffen. 

Slide 41 - Sleepvraag

Is hier sprake geweest van een volledige verbranding?
A
Ja
B
Nee

Slide 42 - Quizvraag

Kan koolstofdioxide aangetoond worden?
A
Nee, het is geur- en kleurloos.
B
Nee, het is een gas.
C
Ja, met helder kalkwater.
D
Ja, door het gas te condenseren.

Slide 43 - Quizvraag

Hoe werkt de aantoningsreactie in de vorige vraag?

Slide 44 - Open vraag

Wat voor soort stof is wit kopersulfaat?

Slide 45 - Open vraag

Welke stof veroorzaakt zure regen?
A
Zwavel
B
Ammoniak
C
Stikstofoxiden
D
Zwaveldioxide

Slide 46 - Quizvraag

Slide 47 - Link