week 7 - les 3

Hi M4A
Today's plan:
  • Prefixes and suffixes
  • quiz + worksheet
  • work on Pecha Kucha (5th period)
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hi M4A
Today's plan:
  • Prefixes and suffixes
  • quiz + worksheet
  • work on Pecha Kucha (5th period)

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Prefixes and suffixes are sets of letters that we add to the beginning of a word (prefix) or to the end of a word (suffix or affix). They change the meaning of a word or the part of speech.

Slide 3 - Tekstslide

Prefixes
non-/un-/im-/il-/in-/ir- 
non-profit/illegal/impossible

Re-
return / revisit/ replay

Mis-
miscommunication  

Dis-
disappear
Give an opposite meaning to a word.


Again


Negative meaning


Opposite or negative meaning

Slide 4 - Tekstslide

Suffixes
-er
slower, faster, easier 

-ness
kindness, happiness

-ing
painting

-ment
payment
Comparison / a person or thing that does a certain action.

To turn an adverb/adjective into a noun.


To turn a product, material or a verb into a noun.

To change a verb into a noun.

Slide 5 - Tekstslide

Prefixes
Prefixes (voorvoegsels) change the meaning of a word. We do the same in Dutch:
legaal > illegaal
gewild > ongewild
regelmatig > onregelmatig
alfabeet > analfabeet

Slide 6 - Tekstslide

non- / un- / im- / il- / ir- / in- 
Geven een woord een tegenovergestelde betekenis.

welcome   --> unwelcome
patient       --> impatient
logical       --> illogical
complete   --> incomplete

Slide 7 - Tekstslide

re- 
betekent 'opnieuw' of 'terug of her-
redo 
recall
rebuild
reminder
response
recycle
recover


Slide 8 - Tekstslide

mis- / dis- 
Geven een woord een negatieve betekenis.
mistake
disbelief
dislike
disrespect
misbehave
misheard



Slide 9 - Tekstslide

prefixes
non- / un- /  im- /  il- / ir- / in- 
Geven een woord een tegenovergestelde betekenis.

re- 
betekent opnieuw (again) of terug (back)

mis- / dis- 
geven een negatieve betekenis aan een woord.

Slide 10 - Tekstslide

Are there any rules?
Not really. You can only study prefixes by studying the words they belong to. 
Sometimes it is easy, because you already know a lot of them. Sometimes you have to look them up in a dictionary.

Slide 11 - Tekstslide

Are there any rules?
There are minor rules for spelling though.
ir- is always followed by an r
im- is always followed by an m or p
a- is always followed by a consonant (medeklinker)

This does not work the other way around.

Slide 12 - Tekstslide

Also remember
Not every word with a prefix is negative:
alike (the same)
discuss
universe
illuminate
important
involve

Slide 13 - Tekstslide

Studytip:
Make flashcards


Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Which is the correct opposite of honest?
A
unhonest
B
ilhonest
C
dishonest
D
mishonest

Slide 16 - Quizvraag

Which is the correct opposite of reliable?
A
irreliable
B
unreliable
C
disreliable
D
inreliable

Slide 17 - Quizvraag

Which is the correct opposite of agree?
A
misagree
B
unagree
C
iragree
D
disagree

Slide 18 - Quizvraag

Which is the correct opposite of honest?
A
unhonest
B
ilhonest
C
dishonest
D
mishonest

Slide 19 - Quizvraag

Which is the correct opposite of reliable?
A
irreliable
B
unreliable
C
disreliable
D
inreliable

Slide 20 - Quizvraag

Which is the correct opposite of agree?
A
misagree
B
unagree
C
iragree
D
disagree

Slide 21 - Quizvraag

Wat komt er voor "possible"
A
Non
B
Dis
C
Im
D
un

Slide 22 - Quizvraag

Wat komt er voor "sense"
A
Non
B
Un
C
Ir
D
Dis

Slide 23 - Quizvraag

Wat komt er voor "play"
A
Mis
B
Re
C
Un
D
Ir

Slide 24 - Quizvraag

Hoe maak je van onderstaande woord een woord met een tegenovergestelde betekenis? (schrijf het hele woord op)

___welcome

Slide 25 - Open vraag

Hoe maak je van onderstaande woord een woord met een tegenovergestelde betekenis? (schrijf het hele woord op)

____appear

Slide 26 - Open vraag

Hoe maak je van onderstaande woord een woord met een tegenovergestelde betekenis? (schrijf het hele woord op)

___correct

Slide 27 - Open vraag

Hoe maak je van onderstaande woord een woord met een tegenovergestelde betekenis? (schrijf het hele woord op)

___complete

Slide 28 - Open vraag

Ik snap 'prefixes'!

Slide 29 - Poll

Worksheet
Try to finish before 8th period

Slide 30 - Tekstslide