Balans en wv rekening

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Leg uit hoe de bezittingen en schulden op een balans met elkaar samenhangen.

Slide 2 - Open vraag

Bereken het eigen vermogen.

Slide 3 - Open vraag

Stefan heeft een coachingsbedrijf. Hij koopt voor dit bedrijf een nieuwe kast voor de administratie. Hier is sprake van vlottende activa.
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 4 - Quizvraag

Debiteuren zijn mensen waaraan je nog geld moet betalen.
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 5 - Quizvraag

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Balans <--------> Resultatenrekening

Een balans bestaat uit

  • bezittingen
  • schulden


Een resultatenrekening (winst & verlies rekening) bestaat uit:

  • kosten
  • opbrengsten

Slide 9 - Tekstslide

De balans
  • Op de balans staan alleen
voorraadgrootheden

  • Links/debet/activa:
Vaste en vlottende activa en liquide middelen

  • Rechts/credit/passiva:
EV, vreemd vermogen lang en kort

  • Komt in balans door het eigen vermogen

Slide 10 - Tekstslide

Toe-afname eigen vermogen
Als een bedrijf winst maakt in een bepaald jaar, zal het EV in dat jaar toenemen met de behaalde winst

Als een bedrijf verlies maakt in een bepaald jaar zal het EV in dat jaar afnemen met het verlies

Slide 11 - Tekstslide

Op een resultatenrekening staan...
A
kosten
B
opbrengsten
C
eigen vermogen
D
winst- of verliessaldo

Slide 12 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor een winst-en-verliesrekening
A
Resultatenrekening
B
Balans
C
resultatenbegroting
D
investeringsbegroting

Slide 13 - Quizvraag

Mutatie in de balans
Stel dit bedrijf(zie balans) haalt 1.000 eu
van het contant geld(KAS) en boekt dit 
over naar de bankrekening (bank)

Dan wordt bank 26.000 + 1.000 = 27.000
Dan wordt kas 2.000 - 1.000 = 1.000
Debet(bezit) blijft hetzelfde dus in balans

Slide 14 - Tekstslide

Welke stelling over het Eigen Vermogen is juist ?
A
is altijd positief
B
staat aan de debetzijde van de balans
C
bezittingen min de schulden
D
wijzigt niet

Slide 15 - Quizvraag

Hoe noemen we de rechterzijde van de balans ?
timer
1:00
A
Liquide middelen
B
Passiva
C
Debet
D
Activa

Slide 16 - Quizvraag

Onder welke balanspost zetten we de debiteuren
A
Vaste activa
B
Eigen Vermogen
C
Liquide middelen
D
Vlottende activa

Slide 17 - Quizvraag

Welke van de onderstaande balansposten valt onder vaste activa ?
A
een pand
B
voorraden
C
een tegoed bij de bank
D
debiteuren

Slide 18 - Quizvraag

welke stelling klopt niet ?
A
een balans is altijd in evenwicht
B
een balans is een momentopname
C
heeft een debetzijde en een creditzijde
D
wordt altijd opgemaakt op 31 december

Slide 19 - Quizvraag

Wat is een debiteur ?
A
Iemand waar we nog geld van krijgen
B
Een schuldeiser
C
Iemand aan wie we nog geld moeten betalen
D
Iemand die een lening heeft verstrekt

Slide 20 - Quizvraag

Wat staat er aan de debetzijde van de balans
A
Het Eigen Vermogen
B
De schulden
C
De bezittingen
D
Crediteuren

Slide 21 - Quizvraag

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,- en betaalt cash.





Verandering activa €0 en verandering passiva €0
 
 
 

Slide 22 - Tekstslide

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,- en betaalt op een later moment. (Ze koopt op rekening)




Verandering activa €1.000,- en verandering passiva €1.000,-

 
 
 

Slide 23 - Tekstslide

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,-. Ze betaalt cash  €250,- en koopt de rest op rekening. 
 



Verandering activa +€750 en verandering passiva +€750
 
 

Slide 24 - Tekstslide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Als:
De onderneming verkoopt goederen op rekening voor €14.200. De inkoopwaarde is €9.400.
A
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
B
Debiteuren -€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
C
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€14.200
D
Debiteuren +14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen-€4.800

Slide 25 - Quizvraag

Hoe ziet dit eruit?
Verschil tussen verkoop en inkoop = brutowinst
Dit komt terecht in het eigen vermogen.

Slide 26 - Tekstslide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Betaling per bank aan crediteuren €14.000.
A
Kas -€14.000 Crediteuren +€14.000
B
Kas -€14.000 Crediteuren -€14.000
C
Bank -€14.000 Crediteuren -€14.000
D
Bank -€14.000 Crediteuren +€14.000

Slide 27 - Quizvraag

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Per kas gekocht goederen €1.400.
A
Voorraad -€1.400 Kas -€1.400
B
Voorraad +€1.400 Kas -€1.400
C
Voorraad -€1.400 Crediteuren -€1.400
D
Voorraad -€1.400 Crediteuren +€1.400

Slide 28 - Quizvraag

timer
0:45
Liquide middelen
Eigen vermogen
Kort vreemd vermogen
Lang vreemd vermogen
Vaste activa
Vlottende activa

Slide 29 - Sleepvraag

Succes!!!

Slide 30 - Tekstslide