Als je plekken wil beschrijven, gebruik je vaak: *estar (está / están) = zijn (is / zijn)
La iglesia está en el centro (locaties)
*ser (es / son) = zijn (is / zijn)
La ciudad es bonita (eigenschap)
*hay = er is / er zijn
Hay muchos bares en el centro de Barcelona.
*tener (tiene) = hebben (heeft)
Barcelona tiene un centro muy bonito.