les 2 en 6 feb

Vandaag
Opwarmer
https://stories.nos.nl/video/2600344-de-plannen-voor-jongeren
Engelse werkwoorden
werkwoordspelling 

1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
https://stories.nos.nl/video/2600344-de-plannen-voor-jongeren
Engelse werkwoorden
werkwoordspelling 

Slide 1 - Tekstslide

Engelse werkwoorden in het Nederlands 

Slide 2 - Tekstslide

Werkwoordspelling

Engelse leenwerkwoorden

Slide 3 - Tekstslide

Spelling Engelse werkwoorden
Bij de meeste werkwoorden  werkt het hetzelfde als bij de Nederlandse werkwoorden.

Slide 4 - Tekstslide

Nederlandse werkwoorden
Engelse werkwoorden in het Nederlands
hij pakte
zij bakte
hij verfde
zij meldde
hij downloadde
zij switchte
hij smashte
zij grilde

Slide 5 - Sleepvraag

Afspraak
Gebruik bij Engels werkwoorden de Nederlandse spellingregels voor zwakke werkwoorden.

Slide 6 - Tekstslide

Welk werkwoord is fout gespeld?
A
hij hockeyde
B
zij mixde
C
zij streste
D
hij tackelde

Slide 7 - Quizvraag

Voorbeelden: downloaden / smashen
infinitief/stam
downloaden/download
smashen/smash
PV-TT-EV
ik download
hij downloadt
ik smash
hij smasht
PV-TT-MV
wij downloaden

wij smashen
PV-VT-EV
ik downloadde
hij downloadde
ik smashte
hij smashte
PV-VT-MV
wij downloadden

wij smashten
vd
gedownload

gesmasht

Slide 8 - Tekstslide

Zet de werkwoorden bij elkaar die op dezelfde manier vervoegd worden
net als Nederlandse werkwoorden
Nét even anders dan Nederlandse werkwoorden
hij baseballde
zij appte
hij deletete
zij managede
zij basketbalde
hij passte
zij scooterde
hij fixte
hij speechte

Slide 9 - Sleepvraag

Let op 1
Wanneer een Engels werkwoord zijn Engelse uitspraak behoudt, moet je de ik-vorm op de Engelse manier schrijven:

Ik baseball             Zij paintballt

Maar: 
Ik basketbal           Hij volleybalt

Slide 10 - Tekstslide

Let op 2
Voor de uitspraak behouden sommige Engelse werkwoorden in de ik-vorm de -e:


infinitief/stam
skaten/skat
saven/sav
PV-TT-EV
ik skate
hij skatet
ik save
hij savet
PV-TT-MV
wij skaten
wij saven
PV-VT-EV
ik skatete
hij skatete
ik savede
hij savede
PV-VT-MV
wij skateten
wij saveden
vd
geskatet
gesaved

Slide 11 - Tekstslide

Welk werkwoord is fout gespeld?
A
hij racete
B
hij datete
C
hij snookerde
D
hij smilde

Slide 12 - Quizvraag

Managen (t.t.)
jij..............

Slide 13 - Open vraag

Relaxen (t.t.)
hij.............

Slide 14 - Open vraag

Zij (facebooken) regelmatig
A
facebooked
B
facebooket
C
facebookt
D
facebookd

Slide 15 - Quizvraag

Vul in wat op de puntjes komt.
Google: Hij.......
Tackle: Ik........

Slide 16 - Open vraag

Let op 3
Als van een Engels zn een werkwoord gemaakt wordt, vernederlandsen we de spelling:

Google -> googelen -> ik googel
tackle -> tackelen -> ik tackel

Slide 17 - Tekstslide

Let op 4
Dubbele medeklinkers in Engelse werkwoorden verenkelen we:

crossen -> stam = cross -> ik-vorm = cros
grillen -> stam = grill -> ik-vorm = gril

Slide 18 - Tekstslide

Zij (focussen) zich gisteren op de moeilijke taak
A
focussde
B
focusste
C
focusde
D
focuste

Slide 19 - Quizvraag

Slide 20 - Video

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Meervouds-n bij verwijzingen
alle/ allen - beide/ beiden - sommige/ sommigen - andere/ anderen
ZONDER -n als:
- er een ZN achter staat
- persoon waarnaar wordt verwezen staat in zelfde zin
- verwijst niet naar personen ( zelfstandig gebruikt)

Slide 23 - Tekstslide

Meervouds-n bij verwijzingen
alle/ allen - beide/ beiden - sommige/ sommigen - andere/ anderen
MET-n als:
- zelfstandig gebruikt + verwijst naar personen

Slide 24 - Tekstslide

Je moet beide/ beiden handen aan het stuur houden.
A
beide
B
beiden

Slide 25 - Quizvraag

Je moet alle/ allen zinnen met een hoofdletter beginnen.
A
alle
B
allen

Slide 26 - Quizvraag

Door de vele/ velen fouten kreeg hij een onvoldoende.
A
vele
B
velen

Slide 27 - Quizvraag

Schrijf tien zinnen. Ze moeten alle/ allen met een hoofdletter beginnen.
A
alle
B
allen

Slide 28 - Quizvraag

Wij hebben tien docenten. Op de vergadering komen ze alle/ allen bijeen.
A
alle
B
allen

Slide 29 - Quizvraag

Ik vind van planten leuk dat sommige/ sommigen met de zon meedraaien.
A
sommige
B
sommigen

Slide 30 - Quizvraag

Enkele/ enkelen hebben vragen gesteld.
A
enkele
B
enkelen

Slide 31 - Quizvraag

Enkele/ enkelen hebben vragen gesteld.
A
enkele
B
enkelen

Slide 32 - Quizvraag

Talent boek
v.a. blz. 162

Slide 33 - Tekstslide

les 2 en 6 feb

Slide 34 - Tekstslide