Voorzetsels

VOORZETSELS
- positie - beweging - tijd
- werkwoorden met vaste voorzetsels (LEREN!)
- met <-> zonder
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolISKvmbo kLeerjaar 1,2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 35 min

Onderdelen in deze les

VOORZETSELS
- positie - beweging - tijd
- werkwoorden met vaste voorzetsels (LEREN!)
- met <-> zonder

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij: Wij zitten ____ elkaar.
A
naar
B
naast
C
in
D
over

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij: Ik loop ____ huis.
A
op
B
naar
C
onder
D
over

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij: De tas staat ____ de tafel.
A
in
B
met
C
onder
D
naar

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels en 'waar'
Voorzetsels geven vaak informatie over waar iets is. 
Bijvoorbeeld: De kat zit op de tafel.

Slide 5 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om de locatie van verschillende objecten aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en beweging
Voorzetsels geven ook informatie over beweging
Bijvoorbeeld: Hij loopt naar de supermarkt.

Slide 6 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om verschillende bewegingen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en tijd
Voorzetsels geven ook informatie over tijd
Bijvoorbeeld: Ik ga naar het strand op maandag.

Slide 7 - Tekstslide

Gebruik de afbeeldingen om verschillende tijdsperiodes aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.

De afbeeldingen in deze slide zijn te vergroten.
Voorzetsels en 'wie'
Voorzetsels geven ook informatie over 'wie'. 
Bijvoorbeeld: Hij praat met zijn vriend.
Bijvoorbeeld: Zij is verliefd op haar.

Slide 8 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om verschillende personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en bezit
Voorzetsels geven ook informatie over bezit
Bijvoorbeeld: Het boek is van haar.

Slide 9 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om verschillende objecten en personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
antwoorden
bang zijn
beginnen
krijgen
zin hebben in
luisteren
naar
voor
op
met
van
in

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Jesse begint elke ochtend om 9 uur ____ werken
A
over
B
bij
C
in
D
met

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: De lerares staat ___ het bord.
A
achter
B
voor
C
in
D
op

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij: Het toilet is ___ de gang.
A
in
B
met
C
achter
D
op

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het passende voorzetsel: Ze telt ___ tien.
A
van
B
op
C
in
D
tot

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel : Ik praat ____ mijn vriend.
A
naar
B
in
C
met
D
op

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Wij lopen ____ het park.
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Wij lopen ____ de bomen in het park.
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Dit jaar wil Nancy stoppen ____ roken
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Ahmed is ziek, dus kan ik dit boek ____ jou geven.
A
voor
B
naar
C
aan
D
met

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Roos wacht al bijna een half uur ____ haar trein.
A
op
B
naar
C
voor
D
met

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Ik heb zin ____ chocolade ijs.
A
met
B
naar
C
voor
D
in

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Mijn vriend vergelijkt zijn resultaten ____ mijn toetsresultaten.
A
bij
B
naar
C
voor
D
met

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Roos wacht al bijna een half uur ____ haar trein.
A
op
B
naar
C
voor
D
met

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Ik ben boos ____ mijn vriendin.
A
op
B
over
C
voor
D
met

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel: Ik ben boos ____ de nieuwe regels op school.
A
op
B
over
C
voor
D
met

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

op
met
voor
naar
van
antwoorden
bang zijn
bedanken
beginnen
bezig zijn
luisteren
vergelijken
vinden
spreken
ruiken
smaken
houden

Slide 26 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

opdracht
lees de tekst en vul de voorzetsels in

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 
Maak een tekst met minimaal 10 werkwoorden met een vast voorzetsel. Denk aan de woordvolgorde.
KIJK voor werkwoorden naar de lijst in WhatsApp.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Ik begrijp hoe ik voorzetsels kan gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Deze slide heeft geen instructies